Apostolische geloofsbelijdenis
Apostolische geloofsbelijdenis of de twaalf artikelen van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof.- Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde.
- En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here;
- die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
- die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel;
- op de derde dag opgestaan uit de doden;
- opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader;
- vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
- Ik geloof in de Heilige Geest.
- Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen;
- vergeving van de zonden;
- opstanding van het vlees;
- en een eeuwig leven.
Dordtse leerregels
Dordtse leerregels
Zijnde de vijf artikelen tegen de Remonstranten, vastgesteld in de Nationale Synode, gehouden te Dordrecht, in de jaren 1618 en 1619.
Verduidelijking
Op de Dordtse Synode (1618-1619) werd de leer van de remonstranten veroordeeld. Meer dan 200 remonstrantse predikanten werden afgezet. De naam remonstranten is ontleend aan een in 1610 opgesteld protest of ‘Remonstrantie’.
Remonstranten, ook wel Arminianen genoemd, waren een godsdienstige groepering in de Republiek der Verenigde Nederlanden tijdens het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) van de 80-jarige oorlog (1568-1648). De remonstranten waren volgelingen van de Leidse hoogleraar Arminius, die tegenover de strenge predestinatieleer van Calvijn een mildere opvatting verdedigde.
In deze leerregels wordt eerst per onderdeel genoemd wat de synode vindt (‘de rechte leer’, de gewone versen. Vervolgens de consequentie ervan, de dingen die ze verwerpt (de dwalingen, de a-versen).
In Nederland behoren de meeste protestantse kerken tot het gereformeerd protestantisme. Zo ook de Nederlandse Hervormde Kerk. De oorspronkelijke naam is echter: Gereformeerde Kerk in de Verenigde Nederlanden. Het woord ‘hervormd’ is pas in 1816 officieel ingevoerd.
Hoofdstuk-1: Namelijk van de goddelijke verkiezing en verwerping.
Hoofdstuk-2: Van de dood van Christus en de verlossing der menschen door dezen.
Hoofdstuk-3-4: Van des menschen verdorvenheid en bekering tot God en de manier van dezen.
Hoofdstuk-5: Van de volharding der heiligen.
Inleiding
Zijn de vijf artikelen tegen de Remonstranten of oordeel van de Nationale Synode der Gereformeerde Kerken van de Verenigde Nederlanden, gehouden binnen Dordrecht in de jaren 1618 en 1619, over de bekende vijf hoofdstukken der leer, waarover in de Gereformeerde Kerken der Verenigde Nederlanden verschil is gevallen.
Onder de zeer vele vertroostingen, dewelke onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus aan zijn strijdende Kerk in deze ellendige pelgrimage gegeven heeft, wordt deze met recht de voornaamste geacht, die Hij haar heeft nagelaten, als Hij tot zijn Vader in het hemelse Heiligdom zoude ingaan, zeggenden: “Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld”.
De waarheid van deze vriendelijke belofte is blijkelijk in de Kerk van alle tijden. Want alzo zij niet alleen door openbaar geweld der vijanden en goddeloos geweld der ketteren, maar ook door bedekte listigheid der verleiders van den beginnen is gestreden, voorwaar, indien de Heere haar te eniger tijd van de heilzame hulp van zijn beloofde tegenwoordigheid had ontbloot, zij zoude al over lang òf door geweld der tyrannen zijn verdrukt geweest òf door de arglistigheid der bedriegers ten verderve geleid. Maar de goede Herder, die zijn kudde, voor welke Hij zijn leven heeft gelaten, zeer volstandiglijk bemint, heeft het woeden der vervolgers steeds ter rechter tijd en door zijn uitgestrekte hand, dikwijls wonderlijk, ternedergezet, en de kromme wegen en bedriegelijke raadslagen der verleiders ontdekt en te niet gedaan; in beide bewijzende, dat Hij waarlijk bij zijn Kerk tegenwoordig is. Hiervan hebben wij een zeer klaar bewijs in de Historiën der Godzalige Keizers, Koningen en Prinsen, dewelke de Zone Gods zo menigmaal tot hulp van zijn Kerk heeft verwekt, met een heilige ijver van zijn huis ontstoken, en door hun dienst niet alleen het woeden der tyrannen bedwongen, maar ook zijn Kerk, wanneer zij met valse leraars te strijden had, tegen hen met middelen ter genezing, van heilige Synoden voorzien, in welke de getrouwe dienstknechten van Christus met gezamenlijke gebeden, raad en arbeid kloekmoediglijk zich hebben gesteld voor de Kerk en waarheid Godes tegen de knechten des satans, alhoewel zij zich in engelen des lichts veranderden; en hebben het zaad der dwalingen en der tweedracht weggenomen, de Kerk in eendracht der reine religie behouden en de oprechte godsdienst ongeschonden op de nakomelingen voortgezet.
Met een gelijke weldaad heeft onze trouwe Zaligmaker zijn genadige tegenwoordigheid aan de Kerk van Nederland, die enige jaren zeer is verdrukt geweest, in deze tijd bewezen. Want deze Kerk, van de tyrannie van de Roomse Antichrist en de schrikkelijke afgoderij van het Pausdom, door Gods machtige hand verlost, en in de gevaren van zo langdurige oorlog menigmaal wonderbaarlijk bewaard zijnde, en in eendracht der ware leer en tucht tot lof van haar God, tot wonderlijke wasdom van het gemenebest, en vreugde van de gehele Gereformeerde wereld zeer heerlijk bloeiende, is van Jacobus Arminius en zijn navolgers, dragende de naam van Remonstranten, door verscheidene zo oude als nieuwe dwalingen, eerste heimelijk, daarna openlijk aangevochten, en, door ergerlijke twisten en scheuringen hardnekkiglijk verstoord zijnde, in zo groot gevaar gebracht, dat die zeer bloeiende Kerken door een schrikkelijke brand van tweedrachten en verdeeldheden ten laatste zouden zijn verteerd geworden, ten ware de ontferming van onze Zaligmaker ter bekwamer tijd daartussen ware gekomen. Doch geprezen zij in der eeuwigheid de Heere, dewelke, nadat Hij zijn aanschijn een ogenblik tijds van ons (die op menigerlei wijze zijn toorn en gramschap hadden verwekt) verborgen had, voor de ganse wereld heeft bewezen, dat Hij zijn Verbond niet vergeet en het zuchten der zijnen niet veracht. Want als daar nauwelijks enige hope van herstel naar menselijk oordeel scheen voorhanden te zijn, heeft Hij aan de Doorluchtige en Hoog-Mogende Heren, de Generale Staten der Verenigde Nederlanden, in het hart gegeven, dat zij, met advies en directie van den Doorluchtigsten Prince van Oranje, besloten hebbende deze woedende zwarigheden met wettelijke middelen te bejegenen, welke door de voorbeelden der Apostelen zelf en der Christelijke Kerk na hun tijd doorgaans zijn goed gekend, en zelfs ook in de Kerk van Nederland met grote vrucht vóór dezen gebruikt, en hebben een Synode uit al de Provinciën van hun gebied door hun autoriteit naar Dordrecht bijeengeroepen, nadat zij daartoe van tevoren verzocht en door gunst des grootmachtigsten Konings Jacobus, Koning van Groot-Brittannië, enz., en machte Republieken, verworven hadden vele voortreffelijke godgeleerde mannen, opdat door gemeen oordeel van zoveel theologanten der Gereformeerde Kerk, de leringen van Armimius en zijn navolgers in een zo vermaarde Synode rijpelijk zouden worden onderzocht, en alleen uit Gods Woord geoordeeld, de ware leer bevestigd, de valse verworpen, en de Nederlandse Kerken eendracht, vrede en rust door Godes zegen wedergebracht. Over deze weldaad Godes is het, dat de Nederlandse Kerken zich verheugen en haars Zaligmakers ootmoediglijk bekennen en dankbaar roemen.
Deze eerwaardige Synode (na voorgaand algemeen vasten en bidden door autoriteit der Hoge Overheid in al de Nederlandse Kerken tot afbidding van Gods toorn en verwerving van zijn genadige bijstand uitgeschreven en gehouden) in des Heeren naam binnen Dordrecht vergaderd zijnde, ontstoken in liefde tot God en de welstand der Kerk, en wezende, na aanroeping van Gods naam, met een heilige eed verplicht, van alleen naar het richtsnoer der Heilige Schrifture te oordelen, en in het onderzoek met een goede consciëntie te handelen, heeft zeer naarstiglijk en met grote lankmoedigheid gearbeid, om de voornaamste voorstanders dezer leringen, voor haar geciteerd zijnde, te bewegen, dat zij hun gevoelen van de bekende vijf Hoofdstukken der leer, mitsgaders de redenen van die volkomenlijk wilden verklaren. Maar als zij het oordeel der Synode verwierpen en op de vraagstukken, in de manier als billijk was, weigerden te antwoorden, en dat voorts geen vermaningen der Synode, noch resolutiën der Welgeboren Edele Gedeputeerde Staten van de Heren Generale Staten, ja zelfs niet de bevelen van de doorluchtige Hoogmogende Heren Generale Staten, bij hen iets vorderden, is de Synode genoodzaakt, met last van hun Hoog-Mogende en naar de gewoonte der ouderen Synoden, een andere weg in te gaan; en is het onderzoek van de voorzeide vijf leerstukken uit de schriften, bekentenissen en verklaringen, eensdeels te voren uitgegeven, anderdeels ook aan deze Synode overgeleverd, ter hand genomen. Hetwelk, alzo het nu door Gods bijzondere genade met zeer grote vlijt, getrouwigheid, consciëntie en overeenstemming van allen en een iegelijk is voleind, zo is ’t, dat deze Synode tot Gods eer, behoudenis van de oprechtighesid der zaligmakende waarheid, gerustheid der consciëntiën, vrede en welstand der Nederlandse Kerken, besloten heeft het navolgende oordeel (waarin het waarachtige en met Gods Woord overeenkomende gevoelen van de vijf voorzegde leerpunten wordt verklaard, en het valse, en met Gods Woord strijdende verworpen) openlijk uit te spreken en aan een iegelijk bekend te maken.
HOOFDSTUK 1
Van de Goddelijke verkiezing en verwerping
Artikel 1
Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood1. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen. De apostel zegt immers: De hele wereld is voor God strafwaardig. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:19-23). En: Het loon, dat de zonde geeft, is de dood (Rom. 6:23).
1 Rom.5:12.
Artikel 2
Maar hierin is de liefde van God geopenbaard, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld1, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft2.
11Joh. 4:9 2Joh. 3:16.
Artikel 3
Om de mensen tot het geloof te brengen zendt God in zijn goedheid verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil1. Door hun dienst worden de mensen opgeroepen tot bekering en tot geloof in Christus, de gekruisigde2. Want hoe zullen zij geloven in Hem van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn?Rom. 10:14-15).
1Jes. 52:7. 21Kor. 1:23-24.
Artikel 4
Op hen die dit evangelie niet geloven, blijft de toorn van God1. Maar zij die het aannemen en de Verlosser Jezus met een echt en levend geloof omhelzen, worden door Hem van de toorn van God en van de ondergang verlost, en zij ontvangen door Hem het eeuwige leven2.
1Joh. 3:36. 2Mar. 16:16;Joh. 3:16;Rom. 10:9.
Artikel 5
Van dat ongeloof is God volstrekt niet de oorzaak. De mens draagt de schuld ervan, evenals van alle andere zonden1. Daarentegen is het geloof in Jezus Christus en ook het behoud door Hem een genadegave van God, zoals geschreven is: Door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God (Ef. 2:8). Evenzo: Aan u is de genade verleend in Christus te geloven (Filip. 1:29).
1Heb. 4:6;1Pet. 2:8.
Artikel 6
God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit1. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (Hand. 15:18), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (Ef. 1:11).
Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is. Terwijl slechte, verdorven en onstandvastige mensen dit besluit verdraaien tot hun eigen verderf, ontvangen heiligen en godvrezenden daardoor een onuitsprekelijke troost.
1Hand. 13:48;1Pet. 2:8.
Artikel 7
Deze uitverkiezing is een onveranderlijk voornemen van God, waardoor Hij voor de grondlegging van de wereld uit het hele menselijke geslacht – dat door eigen schuld de oorspronkelijke gerechtigheid verloren en zich in zonde en ondergang gestort heeft – een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil heeft uitgekozen1.
Deze uitverkorenen zijn niet beter dan anderen en zij hebben evenmin enig recht op Gods liefde, omdat zij met alle mensen aan de ellende prijsgegeven zijn. Alleen uit genade zijn zij in Christus uitverkoren overeenkomstig het vrije welbehagen van Gods wil2. God heeft Christus ook van eeuwigheid tot Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen en tot fundament van het heil gesteld. En om hen door Christus te behouden, besloot God tegelijk deze uitverkorenen aan Hem te geven en met kracht tot de gemeenschap met Christus te roepen en te trekken door zijn Woord en Geest3. Of met andere woorden: God besloot hun het geloof in Christus te schenken, hen te rechtvaardigen en te heiligen en hen, nadat zij in de gemeenschap van zijn Zoon met kracht bewaard zijn, uiteindelijk te verheerlijken. In dit alles toont God zijn barmhartigheid tot lofprijzing van de schatten van zijn roemrijke genade. Want er staat geschreven: God heeft ons immers in Christus uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde (Ef. 1:4-6). En verder: Die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).
1Ef. 1:11;Joh. 17:2, 12, 24. 23Ef. 1:4. 3Joh. 6:37;1Kor. 1:9.
Artikel 8
Deze uitverkiezing is niet veelsoortig, maar zij is een en dezelfde verkiezing van allen die onder oud en nieuw verbond behouden worden. De Schrift verkondigt ons immers één welbehagen, voornemen en raad van Gods wil1, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft uitverkoren tot de genade en tot de heerlijkheid, tot het behoud en tot de weg van het behoud, die Hij tevoren bereid heeft, opdat wij daarop zouden gaan2.
1Deut. 3:7;Deut. 9:6;Ef. 1:4-5. 2Ef. 2:10.
Artikel 9
God heeft uitverkoren niet omdat Hij tevoren in de mens geloof, gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid of een andere goede eigenschap of aanleg zag, die als oorzaak of voorwaarde in de mens, die uitverkoren zou worden, aanwezig moest zijn. Integendeel, Hij heeft uitverkoren opdat Hij geloof, gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid enzovoort zou bewerken1. Deze uitverkiezing is dus de bron van al het goede, dat tot behoud leidt. Daaruit komen als vruchten het geloof, de heiligheid en de andere heilsgaven en tenslotte het eeuwige leven voort. De apostel getuigt immers: Hij heeft ons uitverkoren, (niet: omdat wij waren, maar:) opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef. 1:4).
1Rom. 8:30.
Artikel 10
De oorzaak van deze genadige uitverkiezing is alleen het welbehagen van God. Dit bestaat niet hierin, dat Hij uit alle mogelijke voorwaarden enige eigenschappen of prestaties van mensen heeft uitgekozen tot een voorwaarde voor het ontvangen van het heil. Integendeel, dit welbehagen bestaat hierin, dat Hij bepaalde personen uit de hele zondige mensheid tot zijn eigendom aangenomen heeft. Er staat immers geschreven: Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan… werd tot haar (namelijk Rebekka) gezegd: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat (Rom. 9:11-13)1. En: Allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof (Hand. 13:48).
1Gen. 25:23;Mal. 1:2-3.
Artikel 11
Omdat God volkomen wijs, onveranderlijk, alwetend en almachtig is, kan zijn keus niet ongedaan gemaakt en opnieuw gedaan worden, en daarom kan ze ook niet veranderd, herroepen of tenietgedaan worden1. Evenmin kunnen de uitverkorenen verworpen of kan hun aantal verminderd worden.
1Joh. 6:37;Joh. 10:28.
Artikel 12
Van hun eeuwige en onveranderlijke uitverkiezing tot behoud worden de uitverkorenen, ieder op zijn tijd, verzekerd, zij het niet bij iedereen even sterk en in gelijke mate. Die zekerheid ontvangen de uitverkorenen niet, wanneer zij de verborgenheden en diepten van God nieuwsgierig doorzoeken1. Maar zij ontvangen haar, wanneer zij met een geestelijke blijdschap en heilige vreugde de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing, die Gods Woord aanwijst, bij zichzelf opmerken2, zoals bijvoorbeeld het ware geloof in Christus, kinderlijk ontzag voor God, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid.
1Deut. 29:29;1Kor. 2:10-11. 21Kor. 13:5;2Kor. 7:10;Mat. 5:6.
Artikel 13
Wanneer Gods kinderen nu de uitverkiezing ervaren en er zeker van zijn, ontlenen zij daaraan dagelijks meer reden om zich voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barmhartigheid te aanbidden, zichzelf te reinigen en Hem, die hen eerst zozeer heeft liefgehad, van hun kant vurig lief te hebben1. Er is dan ook geen sprake van, dat zij door deze leer van de uitverkiezing en de overdenking ervan zouden verslappen in het onderhouden van Gods geboden, of in zondige zorgeloosheid zouden gaan leven. Dit gebeurt doorgaans naar Gods rechtvaardig oordeel met hen die op de wegen van de uitverkorenen niet willen gaan, terwijl zij zich lichtvaardig laten voorstaan op de genade van de uitverkiezing, of hun tijd verdoen met lichtzinnige praat daarover.
1Lev. 23:27-32;1Joh. 3:3;1Joh. 4:19.
Artikel 14
Deze leer van de goddelijke uitverkiezing is naar Gods wijze raad door de profeten, Christus zelf en de apostelen zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond verkondigd en daarna in de Heilige Schrift beschreven en overgeleverd1. Daarom moet deze leer ook nu op de juiste tijd en plaats onderwezen worden in Gods kerk – want juist aan haar is zij toevertrouwd – met onderscheidingsvermogen, eerbiedig en heilig2, zonder nieuwsgierig naspeuren van de wegen van de Allerhoogste, tot eer van Gods heilige naam en tot een levende troost van zijn volk.
1Hand. 20:27;Job 36:23-26;Rom. 11:33. 2Rom. 12:3;1Kor. 4:6;Heb. 6:17, 18.
Artikel 15
Het voorrecht van deze eeuwige en onverdiende genade van onze uitverkiezing wijst de Heilige Schrift ons bovenal aan, wanneer zij verder getuigt, dat niet alle mensen zijn uitverkoren. Sommigen is God namelijk in zijn eeuwige uitverkiezing voorbijgegaan1. Dit zijn de mensen over wie God naar zijn volkomen vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft, hen in de gemeenschappelijke ellende te laten, waarin zij zichzelf door hun eigen schuld gestort hebben. God besloot hun het heilbrengend geloof en de genade van de bekering niet te schenken, maar hen op hun eigen wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel te laten2 en hen tenslotte niet alleen om hun ongeloof, maar ook om alle andere zonden te veroordelen en voor eeuwig te straffen, en daarin zijn rechtvaardigheid te tonen. Dit is het besluit van de verwerping, dat God beslist niet maakt tot de bewerker van de zonde – dat is een godslasterlijke gedachte! – maar dat Hem stelt tot de ontzagwekkende, onberispelijke en rechtvaardige Rechter en Wreker ervan.
1Rom. 9:22;1Pet. 2:8. 2Hand. 14:16.
Artikel 16
Nu zijn er mensen die het levend geloof in Christus of het vertrouwen met hart en ziel, een goed geweten voor God, het leven in de kinderlijke gehoorzaamheid en het roemen in God door Christus nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken1. Toch gebruiken zij de middelen, waardoor God naar zijn belofte dit alles in ons bewerkt. Zij moeten zich niet laten ontmoedigen, wanneer zij over de verwerping horen spreken en evenmin zichzelf tot de verworpenen rekenen. Integendeel, zij moeten de middelen trouw blijven gebruiken, vurig verlangen naar de tijd van overvloediger genade en die eerbiedig en ootmoedig verwachten.
Zij die ernstig verlangen zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen en uit het lichaam des doods verlost te worden2, maar toch nog niet zo ver in het gelovig leven voor de Here kunnen komen, als zij wel wilden, behoren voor deze leer van de verwerping al helemaal niet bevreesd te worden. De barmhartige God heeft immers beloofd, dat Hij de walmende vlaspit niet zal uitdoven en het geknakte riet niet zal verbreken3. Maar deze leer is wel degelijk schrikaanjagend voor hen die met God en Christus de Verlosser geen rekening houden, opgaan in de zorgen van de wereld en zich laten beheersen door zondige begeerten4 – tenminste zolang zij zich niet ernstig tot God bekeren.
1Jak. 2:26;2Kor. 1:12;Rom. 5:11;Filip. 3:3. 2Rom. 7:24. 3Jes. 42:3;Mat. 12:20. 4Heb. 12:29;Mat. 13:22.
Artikel 17
Over de wil van God kunnen wij ons alleen uitspreken op grond van zijn eigen Woord. Dit verzekert ons ervan, dat de kinderen van de gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, waartoe zij met hun ouders behoren1. Daarom moeten godvrezende ouders niet twijfelen aan de uitverkiezing en het behoud van hun kinderen, die God zeer jong uit dit leven wegneemt.
1Gen. 17:7;Jes. 59:21;Hand. 2:39;1Kor. 7:14.
Artikel 18
Aan hen die over deze genade van de onverdiende uitverkiezing en over de strengheid van de rechtvaardige verwerping opstandig spreken, houden wij deze uitspraak van de apostel voor: Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? (Rom. 9:20)1. En deze van onze Verlosser: Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? (Mat. 20:15). Maar wij aanbidden deze heilsgeheimen eerbiedig en roepen met de apostel uit: O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. (Rom. 11:33-36).
1Job 39:34-37.
Veroordeling van de dwalingen waardoor de Nederlandse kerken een tijdlang in opschudding gebracht zijn
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer over de uitverkiezing en verwerping veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:
-
God wil de mensen redden die tot geloof zullen komen en zullen volharden in dat geloof en de gehoorzaamheid van het geloof. Deze wil van God is het volledige besluit van de uitverkiezing tot behoud en iets anders is hierover in het Woord van God niet geopenbaard.
Met deze leer misleiden zij de eenvoudige mensen en gaan zij duidelijk tegen de Heilige Schrift in. Want de Schrift getuigt, dat God niet alleen hen die tot geloof zullen komen, wil redden, maar dat Hij ook een vast aantal mensen van eeuwigheid uitgekozen heeft. In dit leven schenkt Hij hun in onderscheiding van anderen het geloof in Christus en de volharding. Er staat immers geschreven: Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt (Joh. 17:6). En: allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof (Hand. 13:48). En: Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef. 1:4).
-
Gods uitverkiezing tot het eeuwige leven is veelsoortig. Er is een algemene, onbepaalde uitverkiezing en een bijzondere, bepaalde uitverkiezing. Deze laatste is weer onderverdeeld in een onvolkomen en volkomen verkiezing. De onvolkomen verkiezing kan herroepen worden: die is niet definitief en ze is gebonden aan bepaalde voorwaarden. De volkomen uitverkiezing daarentegen kan niet herroepen worden: zij is definitief en onvoorwaardelijk. En ook: er is een uitverkiezing tot het geloof en een andere uitverkiezing tot het behoud. Dit betekent dat de uitverkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof nog niet hoeft in te houden de beslissende uitverkiezing tot het behoud.
Dit is een uitvinding van het menselijk brein, die buiten de Schrift om verzonnen is. Daardoor wordt de leer van de uitverkiezing verminkt en de gouden keten van ons behoud verbroken: die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).
-
Wanneer de Schrift in haar leer van de uitverkiezing spreekt over het welbehagen en voornemen van God, bedoelt zij niet dat God een vast aantal mensen boven anderen uitverkoren heeft. Nee, uit alle mogelijke voorwaarden (waaronder ook de werken der wet), anders gezegd: uit het geheel van de bestaande mogelijkheden heeft God als voorwaarde voor behoud uitgekozen de in zichzelf niet verdienstelijke daad van het geloof en de onvolmaakte gehoorzaamheid van het geloof. Deze onvolmaakte gehoorzaamheid wil Hij in zijn genade laten doorgaan voor volkomen, en waardig keuren om met het eeuwige leven beloond te worden.
Met deze gevaarlijke dwaling worden Gods welbehagen en Christus’ verdienste van kracht beroofd. Ook worden de mensen door zinloze vragen afgetrokken van de waarheid van de rechtvaardiging uit genade en van de eenvoud van de Schrift. En de apostel wordt ervan beschuldigd, dat hij onwaarheid spreekt, wanneer hij zegt: Die ons behouden heeft en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is voor eeuwige tijden. (2Tim. 1:9).
-
Bij de uitverkiezing tot geloof moet de mens eerst aan de volgende voorwaarden voldoen: hij moet het licht der natuur goed gebruiken; hij moet vroom, ootmoedig en nederig zijn en geschikt voor het eeuwige leven.
Alsof de uitverkiezing ook maar enigszins van deze dingen afhankelijk zou zijn! Deze dwaling lijkt bedenkelijk veel op die van Pelagius en is in strijd met de leer van de apostel, die schrijft: – trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns – God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen, mee levend gemaakt met Christus – door genade zijt gij behouden – en heeft ons mee opgewekt en ons mee een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van zijn genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme (Ef. 2:3-9).
-
De onvolkomen en niet-definitieve uitverkiezing van bepaalde personen tot behoud is hierop gegrond, dat God van tevoren zag dat zij voor kortere of langere tijd zouden geloven, zich bekeren en heilig en godvrezend zouden leven. Maar hun volkomen en definitieve uitverkiezing is daarop gegrond, dat God van tevoren zag dat zij tot het einde toe zouden volharden in geloof, bekering en een heilig en godvrezend leven. Dit is de ‘genadige en evangelische waardigheid’ waardoor hij die uitverkoren wordt, zich onderscheidt van hem die niet uitverkoren wordt. Daarom zijn het geloof, de gehoorzaamheid van het geloof, de heiligheid, godsvrucht en volharding geen vrucht van de onveranderlijke uitverkiezing tot de heerlijkheid. Nee, dit zijn voorwaarden, die God vooraf gesteld heeft en waarvan Hij ook vooraf gezien heeft, dat eraan voldaan zou worden door hen die definitief uitgekozen zouden worden. Alleen op deze gronden vindt de onveranderlijke uitverkiezing tot heerlijkheid plaats.
Dit nu is in strijd met de hele Schrift, die ons op tal van plaatsen de volgende en soortgelijke uitspraken inscherpt: Opdat het verkiezend voornemen van God zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep (Rom. 9:11); en allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof (Hand. 13:48); Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig zouden zijn (Ef. 1:4); niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen (Joh. 15:16); indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken (Rom. 11:6); hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft (1Joh. 4:10).
-
De uitverkiezing tot behoud is niet in alle gevallen onveranderlijk; sommige uitverkorenen kunnen ondanks een besluit van God verloren gaan en gaan ook werkelijk voor eeuwig verloren.
Door deze grove dwaling stellen zij God als een veranderlijke God voor en doen zij de troost teniet die de godvrezenden putten uit de vastheid van hun uitverkiezing. Ook spreken zij de Heilige Schrift tegen, die leert, dat de uitverkorenen niet verleid kunnen worden (Mat. 24:24); dat Christus van alles wat de Vader Hem gegeven heeft, niet verloren laat gaan (Joh. 6:39); dat God hen die Hij tevoren bestemd heeft, geroepen en gerechtvaardigd heeft, ook heeft verheerlijkt (Rom. 8:30).
-
Er is in dit leven geen vrucht en geen ervaring van de onveranderlijke uitverkiezing tot heerlijkheid, en ook geen zekerheid daarover; als wij er al zeker van zijn, is dat afhankelijk van een veranderlijke en onzekere voorwaarde.
Nu is het al dwaas om over een onzekere zekerheid te spreken, maar het is bovendien ook in strijd met wat de heiligen ondervinden. Op grond van de ervaring van hun uitverkiezing verheugen zij zich met de apostel en prijzen deze weldaad van God, terwijl zij zich overeenkomstig Christus’ aansporing met de discipelen verblijden dat hun namen in de hemel staan opgetekend1. Ook stellen zij de ervaring van hun uitverkiezing tegenover de vurige pijlen van de aanvechtingen van de duivel, wanneer zij vragen: Wie zal uitverkorenen van God beschuldigen? (Rom. 8:33).Ef. 1:3-14;Luc. 10:20.
-
God heeft niet enkel op grond van zijn rechtvaardige wil besloten iemand te laten blijven in de gevallen staat van Adam en daarmee in de staat van zonde en veroordeling van alle mensen. Evenmin besloot Hij enkel op grond van zijn rechtvaardige wil iemand bij het schenken van de genade, die voor het geloof en de bekering nodig is, over te slaan.
Vast staat echter: Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil (Rom. 9:18). En ook dit: Het is u gegeven de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven (Mat. 13:11). Evenzo: Ik dank U, Vader, Heer van de hemel en de aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U (Mat. 11:25-26).
-
De reden waarom God het evangelie liever aan het ene volk dan aan het andere laat verkondigen, moet niet enkel en alleen in het welbehagen van God gezocht worden, maar daarin, dat het ene volk beter is en meer recht heeft op Gods liefde dan het andere volk waaraan het evangelie niet wordt bekendgemaakt.
Mozes ontkent dit, wanneer hij het volk Israel als volgt aanspreekt: Zie, van de HERE, uw God, is de hemel, ja, de hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is; alleen aan uw vaderen heeft de HERE Zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volken uitverkoren, zoals dit heden het geval is (Deut. 10:14-15). En Christus zegt: Wee u, Chorazin, wee u, Betsaida! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben (Mat. 11:21).
HOOFDSTUK 2
Van den dood van Christus, en de verlossing der mensen door dezen.
Artikel 1
God is niet alleen volkomen barmhartig, maar ook volkomen rechtvaardig1. Nu eist zijn gerechtigheid – zo heeft Hij Zich in zijn Woord geopenbaard – dat onze zonden, tegen zijn oneindige majesteit bedreven, in tijd en eeuwigheid naar ziel en lichaam worden gestraft. Aan deze straffen kunnen wij alleen ontkomen, als aan Gods gerechtigheid wordt voldaan.
1Ex. 34:6-7;Rom. 5:16;Gal. 3:10.
Artikel 2
Maar omdat wij zelf niet in staat zijn die voldoening te geven en ons van Gods toorn te bevrijden, heeft God uit onmetelijke barmhartigheid ons zijn eniggeboren Zoon als Borg gegeven1. Deze is voor ons en in onze plaats aan het kruis tot zonde gemaakt en een vloek geworden om voor ons te voldoen2.
1Joh. 3:16;Rom. 5:8. 22Kor. 5:21;Gal. 3:13.
Artikel 3
De kruisdood van Gods Zoon is het enige offer en de volledige betaling voor de zonde1. De kracht en de waarde ervan zijn oneindig en daarom is deze dood meer dan genoeg om de zonden van de hele wereld te verzoenen2.
1Heb. 10:14;Heb. 9:26-28. 21Joh. 2:2.
Artikel 4
Deze dood is zo krachtig en waardevol, omdat de Persoon die hem ondergaan heeft, niet alleen een echt en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon van God, die met de Vader en de Heilige Geest eeuwig en oneindig God is1 – zo immers moest onze Verlosser ook zijn. Bovendien is Christus’ dood zo krachtig en waardevol, omdat Hij bij zijn sterven heeft ervaren de toorn van God en de vervloeking die wij door onze zonden verdiend hadden2.
1Heb. 4:15;Heb. 7:26;Joh. 3:16;1Joh. 4:9. 2 Mat. 27:46;Gal. 3:13.
Artikel 5
De belofte van het evangelie is nu, dat ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft1. Aan alle volken en mensen tot wie God naar zijn welbehagen het evangelie zendt, moet zonder onderscheid deze belofte openlijk verkondigd worden met het bevel zich te bekeren en te geloven2.
1Joh. 3:16;1Kor. 1:23. 2Mat. 28:19;Hand. 2:38;Hand. 16:31.
Artikel 6
Velen die door het evangelie geroepen zijn, bekeren zich niet en geloven niet in Christus; zij gaan in ongeloof ten onder1. Maar dit komt niet doordat Christus’ offer aan het kruis gebrekkig of ontoereikend zou zijn; het is hun eigen schuld2.
1Mat. 22:14;Ps. 95:11. 2Heb. 4:6.
Artikel 7
Maar allen die echt geloven en door Christus’ dood van zonde en ondergang bevrijd en behouden worden, ontvangen deze weldaad alleen op grond van Gods genade1. Deze genade, die God aan niemand verschuldigd is, heeft Hij hun in Christus van eeuwigheid gegeven.
12Kor. 5:18;Ef. 2:8-9.
Artikel 8
Want dit is het soevereine raadsplan, de genadige wil en het voornemen van God de Vader geweest, dat de levendmakende en reddende kracht van de kostbare dood van zijn Zoon ten goede zou komen aan alle uitverkorenen1, om alleen hun het rechtvaardigend geloof te schenken en hen daardoor met vaste hand tot het volle heil te brengen. Anders gezegd: God heeft gewild dat Christus door zijn bloedstorting aan het kruis (waarmee Hij aan het nieuwe verbond rechtskracht verleend heeft)2 uit alle volken, stammen, geslachten en talen3 met kracht al diegenen – en hen alleen – zou verlossen, die de Vader van eeuwigheid tot het heil uitverkoren en aan zijn Zoon gegeven heeft. God heeft ook gewild dat Christus aan dezen het geloof zou schenken4, dat Hij – evenals de overige reddende gaven van de Heilige Geest – door zijn dood voor hen verworven heeft. God heeft eveneens gewild dat Hij hen door zijn bloed zou reinigen van al hun zonden5, zowel van hun erfzonde als van de zonden die zij voor of na het ontvangen van het geloof zouden bedrijven. En ook was het Gods wil dat Hij hen tot het einde toe trouw zou bewaren en hen tenslotte stralend zonder vlek of rimpel voor Zich zou plaatsen6.
1Joh. 17:9;Ef. 5:25-27. 2Luc. 22:20;Heb. 8:6. 3Opb. 5:9. 4Filip. 1:29. 51Joh. 1:7. 6Joh. 10:28;Ef. 5:27.
Artikel 9
Dit raadsplan dat voortkomt uit Gods eeuwige liefde voor de uitverkorenen, is van het begin van de wereld tot vandaag toe met kracht vervuld en zal ook voortaan vervuld worden, ondanks de tegenstand van de poorten van het dodenrijk1. Zo zullen de uitverkorenen – ieder op zijn tijd – bijeen vergaderd worden en zal er altijd een kerk van gelovigen zijn, die gefundeerd is in Christus’ bloed2. Zij heeft Christus, haar verlosser, die voor haar, als een bruidegom voor zijn bruid, aan het kruis zijn leven gegeven heeft3, standvastig lief, zij dient Hem met volharding en prijst Hem nu en in alle eeuwigheid. Amen.
1Mat. 16:18. 2Joh. 11:52;1Kon. 19:18. 3Ef. 5:25.
Veroordeling van de dwalingen
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:
-
God de Vader heeft zijn Zoon ertoe bestemd, aan het kruis te sterven, zonder dat daaraan een vast raadsbesluit ten grondslag lag om ook iemand te redden die Hij bij name kende. Zelfs al zou dus de verlossing die Christus heeft verdiend, nooit het persoonlijk eigendom van een mens zijn geworden, dan was geen enkele afbreuk gedaan aan de noodzaak, het nut en de waarde van wat Christus door zijn dood verdiend heeft. Deze zouden in elk opzicht volmaakt, volledig en onaangetast blijven.
Deze bewering betekent een belediging voor de wijsheid van de Vader en de verdienste van Jezus Christus en zij is in strijd met de Schrift. Want onze Verlosser zegt: Ik zet mijn leven in voor de schapen en Ik ken ze (Joh. 10:15,Joh. 10:27). En de profeet Jesaja zegt over de verlosser: Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen van de HERE zal door zijn hand voortgang hebben (Jes. 53:10).
Tenslotte ontkracht deze bewering het artikel van de geloofsbelijdenis, waarin wij belijdeneen heilige, algemene, christelijke kerk.
-
Het doel van de dood van Christus is niet geweest dat Hij het nieuwe verbond van de genade daadwerkelijk door zijn bloed rechtskracht zou verlenen. Nee, het was alleen maar de bedoeling dat Hij voor de Vader formeel het recht zou verwerven om opnieuw met de mensen een verbond te sluiten, dat – al naar ’t God believen zou – een verbond van genade of van werken zou kunnen zijn.
Dit is in strijd met de Schrift, die leert dat Christus Borg en Middelaar is geworden van een beter verbond, namelijk het nieuwe. Zij leert ook dat een testament pas van kracht is, wanneer iemand gestorven is1.
1Heb. 7:22;Heb. 9:15-17.3. Christus heeft door zijn voldoening voor niemand met zekerheid het behoud verdiend, evenmin als het geloof, waardoor deze voldoening van Christus iemands deel wordt en hem metterdaad tot behoud strekt. Christus heeft de Vader alleen maar de mogelijkheid gegeven of Hem ten volle bereidwillig gemaakt om met de mensen een nieuw begin te maken en nieuwe voorwaarden, welke dan ook, voor te schrijven. Het voldoen aan deze voorwaarden zou dan van de vrije wil van de mens afhangen. Zodoende zou het mogelijk geweest zijn dat of niemand of iedereen aan die voorwaarden voldeed.
Zij die dit leren hebben wel een erg lage dunk van de dood Christus en zij hebben totaal geen oog voor de voornaamste vrucht of weldaad die door deze dood verkregen is. Zij diepen de ketterij van Pelagius weer op uit de hel.
-
Het nieuwe verbond van de genade, dat God de Vader door de dood van Christus met de mensen heeft kunnen sluiten, bestaat niet hierin dat wij door het geloof, voor zover het de verdienste van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd en behouden worden. Nee, het bestaat hierin, dat God ervan afziet om volkomen gehoorzaamheid aan de wet te eisen. Hij beschouwt het geloof zelf en de gehoorzaamheid van het geloof – hoe onvolmaakt ook – als de volmaakte gehoorzaamheid aan de wet. Hij acht ze in zijn genade waard om met het eeuwige leven beloond te worden.
Zij die dit leren, spreken de Schrift tegen: Zij worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed (Rom. 3:24-25). Zij voeren met de goddeloze Socinus een nieuwe en vreemde leer in over de rechtvaardiging van de mens voor God, in strijd met het eenparig gevoelen van heel de kerk.
-
Alle mensen zijn door God aangenomen, zodat zij met God verzoend zijn en delen in de genade van het verbond. Daarom is niemand vanwege de erfzonde aan het eeuwig oordeel onderworpen en ook zal niemand daarom veroordeeld worden. Alle mensen zijn vrij van de schuld van deze zonde.
Deze gedachte strijdt tegen de Schrift, die zegt dat wij van nature kinderen des toorns zijn(Ef. 2:3).
-
God heeft, voor zover het aan Hem ligt, aan alle mensen de weldaden die door de dood van Christus verkregen worden, in gelijke mate willen schenken. Wanneer sommigen aan de vergeving van de zonden en het eeuwige leven deel krijgen en anderen niet, hangt dit verschil af van de vrije wil, die ingaat op de genade, welke zonder onderscheid aangeboden wordt. Het genoemde verschil hangt niet af van een bijzondere gave van Gods barmhartigheid, die zo krachtig in de mensen zou werken, dat dezen zich – in tegenstelling tot anderen – die genade eigen zouden maken.
Zij die dit leren, misbruiken het onderscheid tussen verwerving en toepassing van het heil, om zo bij argeloze en onervaren mensen deze mening ingang te doen vinden. Terwijl zij doen alsof zij dit onderscheid op een juiste manier naar voren brengen, proberen zij intussen het volk het dodelijke gif van de pelagiaanse dwalingen toe te dienen.
-
Christus kon en moest niet sterven voor hen die God zo bijzonder liefheeft en tot het eeuwige leven heeft uitverkoren. Hij is dan ook niet voor hen gestorven, want zulke mensen hebben de dood van Christus niet nodig.
Zij die dit leren, spreken de apostel tegen, dat de Zoon van God mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgeleverd (Gal. 2:20). Evenzo: Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, namelijk voor hen (Rom. 8:33-34). En de Verlosser zegt zelf: Ik zet mijn leven in voor de schapen(Joh. 10:15). En: Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad. Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden (Joh. 15:12-13).
HOOFDSTUK 3 en 4
Van des mensen verdorvenheid en bekering tot God, en de manier van deze.
Artikel 1
De mens is oorspronkelijk naar het beeld van God geschapen1. Hij was in zijn verstand gesierd met ware en heilzame kennis van zijn Schepper en van de geestelijke dingen; in zijn wil en hart met gerechtigheid; in al zijn verlangens met zuiverheid. Hij was dus volkomen heilig. Maar op het ingeven van de duivel is hij uit eigen vrije wil van God afgeweken en daardoor heeft hij zich van deze uitnemende gaven beroofd2. In plaats daarvan heeft hij over zich gehaald, wat zijn verstand betreft, blindheid, verschrikkelijke duisternis en een onbetrouwbaar en verdorven oordeel; wat zijn wil en hart aangaat, slechtheid, opstandigheid en hardnekkigheid; en bovendien in al zijn verlangens onzuiverheid3.
1Gen. 1:26-27. 2Gen. 3:1-7. 3Ef. 4:17-19.
Artikel 2
Zoals de mens was na de val, zo werden ook zijn kinderen: de verdorven mens bracht verdorven kinderen voort1. Op deze wijze is naar Gods rechtvaardig oordeel de verdorvenheid van Adam gekomen over al zijn nakomelingen – uitgezonderd alleen Christus2 – en dit niet door navolging, zoals de pelagianen vroeger beweerden, maar door voortplanting van de verdorven natuur.
1Job 14:4;Ps. 51:7. 2Rom. 5:12;Heb. 4:15.
Artikel 3
Daarom worden alle mensen in zonde ontvangen: Gods toorn rust al op hen, wanneer zij geboren worden1. Zij zijn niet in staat ook maar iets voor hun behoud te doen, maar zij zijn uit op het kwaad, dood in zonden en slaven van de zonde2. Zij willen noch kunnen terugkeren tot God en evenmin kunnen zij in hun verdorven natuur verbetering brengen of zich daarop richten, zonder de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden3.
1Ef. 2:3. 2Ef. 2:1;Rom. 6:16-17. 3Joh. 3:3-6;Tit. 3:5.
Artikel 4
Wel is er na de zondeval nog iets van het licht der natuur in de mens overgebleven. Hierdoor behoudt hij enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen wat past en niet past en ook geeft hij er wel enigszins blijk van zich fatsoenlijk en ordelijk te willen gedragen1. Maar de mens kan door dit licht der natuur beslist niet tot heilbrengende kennis van God komen en zich tot Hem bekeren; hij kan immers niet eens in het dagelijkse leven dit licht op de juiste manier gebruiken. Sterker nog, hij vertroebelt het – wat dit licht ook wezen mag – op allerlei manieren en hij houdt het in ongerechtigheid ten onder2. Daarom wordt hem elke verontschuldiging tegenover God ontnomen.
1Rom. 1:19-20;Rom. 2:14-15. 2Rom. 1:18-20.
Artikel 5
Wat geldt van het licht der natuur, geldt in dit opzicht ook van de wet van de Tien Geboden, die God door Mozes in het bijzonder aan de joden gegeven heeft. Want de wet legt wel de grootheid van de zonde bloot en ze overtuigt de mens steeds meer van zijn schuld1, maar zij wijst het redmiddel niet aan en ook geeft zij geen kracht om uit deze ellende te komen. En doordat zij door het vlees krachteloos geworden is en de overtreder onder de vloek laat blijven, kan de mens door de wet de heilbrengende genade niet verkrijgen2.
1Rom. 7:10-13. 2Rom. 8:3;Rom. 3:19-20;2Kor. 3:6-7.
Artikel 6
Wat dan het licht der natuur en de wet niet tot stand kunnen brengen, dat doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het woord of de bediening van de verzoening: het evangelie van de Messias1. Het heeft God behaagd de gelovigen zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond daardoor te behouden2.
1 2Kor. 5:18-19. 21Kor. 1:21.
Artikel 7
Nu onder het nieuwe verbond het onderscheid tussen de volken is opgeheven, heeft God het heilgeheim van zijn wil aan meer mensen geopenbaard dan onder het oude verbond1. De grond voor dit verschil moet men niet hierin zoeken, dat het ene volk voortreffelijker is dan het andere of het licht der natuur beter gebruikt, maar in het soevereine welbehagen en de onverdiende liefde van God2. Daarom moeten zij aan wie zo’n grote genade te beurt valt – zonder dat zij het verdienen, ja zelfs tegen al wat zij verdienen in – haar met een nederig en dankbaar hart erkennen. Maar ten aanzien van de anderen, wie deze genade niet te beurt valt, moeten zij, met de apostel, de strengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden en die in geen geval nieuwsgierig onderzoeken3.
1Ef. 1:9;Ef. 2:14;Kol. 3:11;Rom. 2:11. 2Mat. 11:26. 3Rom. 11:22-33;Opb. 16:7.
Artikel 8
Allen die door het evangelie worden geroepen, worden in volle ernst geroepen. Want God laat in zijn Woord in volle ernst en ondubbelzinnig zien wat Hem aangenaam is: dat zij die geroepen worden, tot Hem komen. Even echt gemeend belooft Hij allen die tot Hem komen en geloven, de rust voor hun ziel en het eeuwige leven1.
1Mat. 22:4;Opb. 22:17;Joh. 6:37;Mat. 11:28-29.
Artikel 9
Velen die door de bediening van het evangelie geroepen zijn, komen niet en worden niet bekeerd1. Dit is niet te wijten aan het evangelie of aan Christus, die door het evangelie aangeboden wordt, evenmin aan God, die door het evangelie roept en zelfs verschillende gaven schenkt aan de mensen die Hij roept2. De schuld ligt bij henzelf: sommigen zijn achteloos en nemen het Woord des levens niet aan; anderen nemen het wel aan, maar laten het niet toe in hun hart en daardoor keren zij zich weer af na de vluchtige blijdschap van het tijdelijk geloof; nog anderen verstikken het zaad van het Woord onder de dorens van de zorgen en genoegens van de wereld en brengen geen vruchten voort. Dit leert onze Verlosser in de gelijkenis van het zaad3.
1Mat. 22:1-4;Mat. 11:20-24. 2Mat. 23:37. 3Mat. 13:18-23.
Artikel 10
Anderen die door de bediening van het evangelie geroepen zijn, komen wel en worden bekeerd. Dit moet men niet aan de mens toeschrijven1, alsof hij zich door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen aan wie even grote of voldoende genade tot geloof en bekering geschonken is (zoals de hoogmoedige ketterij van Pelagius zegt). Men moet dit aan God toeschrijven: evenals Hij de zijnen van eeuwigheid in Christus heeft uitverkoren, roept Hij hen in dit leven met kracht, schenkt hun geloof en bekering, verlost hen uit de macht van de duisternis en brengt hen over in het rijk van zijn Zoon2. God doet dit alles, opdat zij de grote daden zouden verkondigen van Hem die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Here zouden roemen, zoals de geschriften van de apostelen op tal van plaatsen getuigen3.
1Rom. 9:16. 2Kol. 1:13;Gal. 1:4;1Pet. 2:9. 31Kor. 1:31;2Kor. 10:17;Ef. 2:8-9.
Artikel 11
Wanneer God dit welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en in hen de ware bekering tot stand brengt, laat Hij hun niet alleen het evangelie door middel van de prediking horen en hun verstand door de Heilige Geest zo sterk verlichten, dat zij goed begrijpen en onderscheiden wat Gods Geest hun wil leren1. Maar Hij dringt ook door tot in het diepst van de mens met de krachtige werking van diezelfde Geest, die wedergeboorte werkt2; Hij opent het gesloten hart3, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene4, Hij vernieuwt de wil: van dood maak Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen5.
1Heb. 6:4-5;1Kor. 2:10. 2Heb. 4:12. 3Hand. 16:14. 4Jer. 4:4. 5Mat. 7:18.
Artikel 12
Dit is de wedergeboorte, de vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de dood en levendmaking, die God zonder ons in ons tot stand brengt en waarover in de Schrift zo indrukwekkend gesproken wordt1. God brengt deze wedergeboorte niet tot stand door alleen te laten prediken of een appel op ons te doen. Zij geschiedt niet op zo’n manier dat de mens, wanneer God voor zijn deel het werk voltooid heeft, nog steeds bij machte is al dan niet wedergeboren en bekeerd te worden. Nee, het is een volstrekt bovennatuurlijke, zeer krachtige en tegelijk zeer liefdevolle, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking. Deze is naar het getuigenis van de Schrift, die ingegeven is door dezelfde God die dit bewerkt, niet minder krachtig dan zijn werk bij de schepping of de opwekking van doden2. Daardoor worden allen bij wie God op deze bewonderenswaardige wijze in het hart werkt, volstrekt zeker en met kracht wedergeboren en gaan zij metterdaad geloven. En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf3. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft.
1Joh. 3:3;2Kor. 4:6;2Kor.5:17;Ef. 5:14. 2Joh. 5:25;Rom. 4:17. 3Filip. 2:13.
Artikel 13
Hoe dit in zijn werk gaat, kunnen de gelovigen in dit leven niet volledig begrijpen1. Intussen vinden zij rust in de wetenschap en ervaring, dat zij door deze genade van God van harte geloven en hun Verlosser liefhebben2.
1Joh. 3:8. 2Rom. 10:9.
Artikel 14
Het geloof is dus een gave van God1. Dat wil niet zeggen dat God het de mens aanbiedt, die met dit aanbod vervolgens doen kan wat hij wil, maar dat Hij het metterdaad de mens schenkt, ingeeft en instort. Evenmin is het zo, dat God alleen maar de kracht om te geloven zou geven en daarna de toestemming of het daadwerkelijk geloven verwacht van de vrije wil van de mens. Want Hij die zowel het willen als het werken in ons werkt2, ja alles in allen tot stand brengt, Hij is het immers die zowel de wil om te geloven als het geloof zelf in de mens bewerkt.
1Ef. 2:8. 2Filip. 2:13.
Artikel 15
Deze genade is God aan niemand verschuldigd. Want wat zou Hij verschuldigd zijn aan iemand die Hem niet eerst iets kan geven dat beloond zou moeten worden1? Nog sterker, wat zou God verschuldigd zijn aan hem die zelf niets anders te bieden heeft dan zonde en leugen? Wie deze genade ontvangt, is dus alleen aan God eeuwige dankbaarheid verschuldigd en hij brengt Hem die dank dan ook. Wie deze genade niet ontvangt, bekommert zich in het geheel niet om deze geestelijke dingen en gaat op in zijn eigen leven, of hij beroemt zich in zijn zorgeloosheid ten onrechte op wat hij toch niet heeft2. Verder moet men naar het voorbeeld van de apostelen over hen die openlijk hun geloof belijden en hun leven beteren, gunstig oordelen en spreken3, want het diepst van het hart is ons onbekend. Wat anderen betreft, die nog niet geroepen zijn, voor hen moet men tot God bidden, die het niet zijnde tot aanzijn roept. In geen geval moeten wij ons hoogmoedig jegens hen gedragen, alsof wij onszelf onderscheiden hadden4.
1Rom. 11:35. 2Amos 6:1;Jer. 7:4. 3Rom. 14:18. 4Rom. 4:17;1Kor. 4:7.
Artikel 16
De mens is ondanks de zondeval mens gebleven, toegerust met verstand en wil, en de zonde, die het hele menselijke geslacht heeft doordrongen, heeft de natuur van de mens niet weggenomen, maar verdorven en geestelijk gedood1. De goddelijke genade van de wedergeboorte werkt dan ook niet in de mensen alsof zij stokken en blokken waren en zij vernietigt de wil met zijn eigenschappen niet en dwingt de mens niet tegen wil en dank. Maar zij maakt de wil levend, geneest, herstelt hem en buigt hem liefdevol en tegelijk krachtig2. Waar eerst de hardnekkige tegenstand van het vlees de mens helemaal beheerste, begint nu door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen. Daarin bestaat de geestelijke vernieuwing en de ware vrijheid van onze wil. Ja, indien de Heilige Geest die al het goede zo bewonderenswaardig werkt, niet op deze wijze met ons handelde, zou er voor de mens geen enkele hoop overblijven. Want hoe zou hij ooit uit de zonde waarin hij gevallen is, kunnen opstaan door zijn vrije wil, waardoor hij zich in het verderf heeft gestort, toen hij nog stond!
1Rom. 8:2;Ef. 2:1. 2Ps. 51:12;Filip. 2:13.
Artikel 17
De almachtige werking van God waardoor Hij ons natuurlijk leven voortbrengt en in stand houdt, sluit het gebruik van middelen niet uit, maar vereist die juist1. Daarmee heeft God immers naar zijn oneindige wijsheid en goedheid zijn kracht willen uitoefenen. Zo is het ook met de bovennatuurlijke werking van God waardoor Hij ons opnieuw geboren doet worden: deze sluit niet uit en neemt evenmin weg het gebruik van het evangelie, dat de wijze God tot zaad van de wedergeboorte en voedsel voor de ziel bestemd heeft2. De apostelen en de leraars die hen hebben nagevolgd, hebben het volk over deze genade van God eerbiedig onderwezen om God te eren en alle menselijke hoogmoed neer te drukken. Intussen hebben zij toch niet nagelaten, de mensen met het heilig onderwijs van het evangelie te houden onder de bediening van het Woord, van de sacramenten en van de kerkelijke tucht3.
Daarom moeten ook nu zij die in de gemeente onderwijzen of onderwezen worden, het beslist niet wagen God te verzoeken, door te scheiden wat Hij naar zijn welbehagen voor altijd heeft willen samenvoegen4. Want door al dat onderwijs wordt de genade geschonken en hoe meer wij ons inzetten bij het volbrengen van onze roeping, des te heerlijker openbaart zich het heilzaam werk van God in ons en zo gaat zijn werk des te voorspoediger voort5.
Zowel om de middelen als om de heilbrengende vrucht en kracht daarvan komt alleen aan deze God toe alle eer tot in eeuwigheid. Amen.
1Jes. 55:10-11. 21Kor. 1:21; 1Pet. 1:23-25. 3Hand. 2:42;2Tim. 4:2;2Kor. 5:11-21. 4Rom. 10:14-15. 5Judas 1:24-25.
Veroordeling van de dwalingen
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:
-
Men kan strikt genomen niet beweren dat de erfzonde op zichzelf zo verschrikkelijk is, dat het hele menselijke geslacht erom veroordeeld zou moeten worden, of straf in tijd en eeuwigheid verdiend zou hebben.
Zij die dit leren, komen in strijd met wat de apostel zegt: Daarom, gelijk door een mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben (Rom. 5:12). En: Want het oordeel leidde van een overtreding tot veroordeling (Rom. 5:16). En: Want het loon dat de zonde geeft, is de dood (Rom. 6:23).
-
Toen de mens geschapen werd, konden in zijn wil de gaven van de menselijke geest, de goede eigenschappen en deugden, zoals goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid, niet aanwezig zijn. Daarom konden zij door de zondeval ook niet van de wil gescheiden worden.
Dit is in strijd met de beschrijving van de mens als het beeld van God, zoals de apostel die geeft inEf. 4:24. Daar zegt hij dat dit bestaat in gerechtigheid en heiligheid, die toch beide ongetwijfeld in de wil zetelen.
-
In de geestelijke dood werden de goede gaven van de menselijke geest niet gescheiden van de wil. Want de wil op zich is nooit door de zonde aangetast, maar hij wordt alleen gehinderd door de duisternis van het verstand en de wispelturigheid van de gevoelens. Wanneer deze belemmeringen weggenomen zijn, kan de wil zijn vrije aangeboren kracht weer uitoefenen. Dat wil zeggen: de wil kan uit eigen kracht bij iedere gelegenheid het goede al dan niet willen en kiezen.
Dit is een niet eerder verkondigde dwaling, die ertoe leidt dat men hoog opgeeft van de krachten van de vrije wil, in strijd met het spreken van de profeet: Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het (Jer. 17:9); en van de apostel: Ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten (Ef. 2:3).
-
De mens die niet opnieuw geboren is, is eigenlijk niet helemaal dood in de zonde. Hij mist de krachten om het goede te doen ook niet helemaal. Maar hij kan nog hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven. Ook kan hij nog brengen het offer van een verslagen en gebroken geest, dat God aangenaam is.
Deze beweringen zijn in strijd met de duidelijke uitspraken van de Schrift: Gij waart dood door uw overtredingen en zonden (Ef. 2:1-5). Evenzo: Al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten, was te allen tijde slechts boos (Gen. 6:5;Gen. 8:21). Bovendien, alleen van de wedergeborenen en van hen die zalig gesproken worden, geldt dat zij hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende en naar het leven, en dat zij God een offerande van een verbroken geest brengen (Mat. 5:6 enPs. 51:19).
-
De door de zonde ontaarde, nog niet bekeerde mens kan de algemene genade – daaronder verstaan zij het licht der natuur – of de gaven die na de zondeval nog in hem overgebleven zijn, zo goed gebruiken, dat hij daardoor langzamerhand en stap voor stap een grotere genade kan verwerven, namelijk de evangelische of reddende genade en uiteindelijk de redding zelf. Wij moeten ons dit zo voorstellen dat God Zich van zijn kant bereid toont, Christus aan alle mensen te openbaren, omdat Hij immers ruimschoots en krachtig de middelen verschaft die nodig zijn om Christus te leren kennen en tot geloof en bekering te komen.
Niet alleen de ervaring in alle tijden, maar ook de Schrift getuigt dat dit met de waarheid strijdt: Hij heeft Jakob zijn woorden bekend gemaakt, Israel zijn inzettingen en zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet (Ps. 147:19-20); Hij heeft ten tijde van de geslachten die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan (Hand. 14:16). En: Zij – namelijk Paulus en de zijnen – werden door de Heilige Geest verhinderd het woord in Asia te spreken; en bij Mysie gekomen, poogden zij naar Bitynie te reizen, maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe(Hand. 16:6-7).
-
Wanneer de mens zich metterdaad bekeert, kunnen door God geen nieuwe kwaliteiten, krachten of gaven aan de wil geschonken worden. Het geloof – waarmee onze bekering begint en waaraan wij de naam gelovigen danken – is dan ook niet een kwaliteit of gave die God schenkt, maar alleen een daad van de mens. Men kan slechts over een gave spreken, voorzover het betreft het vermogen om tot geloof te komen.
Zij die dit leren, spreken de Heilige Schrift tegen, die getuigt dat God nieuwe gaven in onze harten uitstort, namelijk geloof, gehoorzaamheid en de ondervinding van zijn liefde: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven (Jer. 31:33). En: Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost (Jes. 44:3). En: De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is (Rom. 5:5). Dit is ook in strijd met de ononderbroken praktijk van Gods kerk, die, zoals de profeet zegt, bidt: Bekeer mij, dan zal ik mij bekeren (Jer. 31:18).
- De genade waardoor wij tot God bekeerd worden, is niets anders dan een vriendelijk appèl op ons. Sommigen leggen dit zo uit: de meest humane werkwijze bij de bekering van de mens, die tegelijk het best past bij zijn natuur, is die waarbij God met een appel tot de mens komt. Er is geen enkele reden waarom deze appellerende genade niet voldoende zou zijn, om natuurlijke mensen tot geestelijke te maken. Ja, God brengt de instemming van de wil op geen andere manier tot stand dan door zo op het gevoel in te werken. De kracht van Gods werking, waardoor zij die van de satan overtreft, bestaat hierin, dat God eeuwige en de satan slechts tijdelijke gaven belooft.
Dit is volstrekt pelagiaans en in strijd met heel de Heilige Schrift. Deze kent bij de bekering van de mens nog een andere, veel krachtiger en goddelijker werking van de Heilige Geest:Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven (Ezech. 36:26).
-
Bij de wedergeboorte van de mens gebruikt God zijn almachtige kracht niet zo, dat Hij daardoor de wil van de mens feilloos en met overmacht buigt tot geloof en bekering. Maar als God bij zijn genadewerk alles wat Hij aanwendt bij de bekering van de mens, gedaan heeft, kan de mens zich toch tegen God en de Heilige Geest verzetten, terwijl God beoogt door de wedergeboorte juist hem tot een nieuwe mens te maken. Ja, zo verzet de mens zich ook inderdaad vaak, waardoor hij zijn eigen wedergeboorte helemaal verhindert. Op deze manier beslist de mens zelf of hij al dan niet wedergeboren zal worden.
Dit betekent niets anders dan dat men bij onze bekering de kracht van Gods genade helemaal uitschakelt. Men maakt de werking van de almachtige God ondergeschikt aan de menselijke wil. Dit is in strijd met wat de apostelen leren: Overweldigend groot is zijn kracht aan ons die geloven (Ef. 1:19), en dat God met kracht alle welgevallen in het goede en het werk van het geloof volmaakt (2Tess. 1:11), en dat zijn goddelijke kracht ons met alles wat tot leven en godsvrucht strekt, heeft begiftigd (2Pet. 1:3).
-
De genade en de vrije wil brengen samen, elk voor zijn deel, het begin van de bekering tot stand, waarbij niet de genade voorop gaat. Dit betekent: bij de bekering helpt God de menselijke wil pas krachtig, nadat deze zichzelf in beweging zet en zich op de bekering richt.
De oude kerk heeft deze leer allang geleden in de pelagianen veroordeeld op grond van de woorden van de apostel: Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt (Rom. 9:16). Evenzo: Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? (1Kor. 4:7); want het is God, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt (Filip. 2:13).
HOOFDSTUK 5
Van de volharding der heiligen
Artikel 1
Degenen die God naar zijn voornemen roept tot de gemeenschap met zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, en door de Heilige Geest opnieuw geboren doet worden, verlost Hij wel van de tirannie en slavernij van de zonde1. Maar Hij verlost hen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam der zonde2.
1Joh. 8:34;Rom. 6:17. 2Rom. 7:21-24.
Artikel 2
Hierdoor zondigen zij in hun zwakheid elke dag weer en zelfs aan de beste werken van de heiligen kleven gebreken1. Dit geeft hun voortdurend reden zich voor God te verootmoedigen en hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen2. Ook gaan zij daardoor steeds meer het vlees doden door de Geest der gebeden en door zich te oefenen in een godvrezend leven en zij verlangen vurig naar het bereiken van de volmaaktheid3. Dit doen zij, tot zij, verlost uit het lichaam des doods, met het Lam van God in de hemelen zullen regeren4.
11Joh. 1:8. 2Heb. 6:18. 3Kol. 3:5;1Tim. 4:7, 8;Filip. 3:12-14. 4Rom. 7:24;Opb. 5:6-10.
Artikel 3
Doordat deze zonden nog in hen overgebleven zijn en bovendien de wereld en de satan hen steeds aanvechten1, zouden de bekeerden in de genade niet staande kunnen blijven, als zij aan zichzelf werden overgelaten. Maar God is trouw2: barmhartig bevestigt Hij hen in de genade, die hun eenmaal is gegeven, en tot het einde toe bewaart Hij hen daarin met kracht3.
1Rom. 7:20;Mat. 26:41. 21Kor. 10:13. 31Pet. 1:5.
Artikel 4
Gods macht waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, is zo groot, dat zij niet door het vlees overwonnen kan worden1. Toch werkt God bij de leiding van hun leven niet altijd zo in de bekeerden, dat zij in sommige gevallen door hun eigen schuld niet zouden kunnen afdwalen van de weg waarop zij genadig geleid worden; zij worden dan verleid door hun zondige begeerten en volgen die. Daarom moeten zij voortdurend waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden2. Wanneer zij dit niet doen, bestaat niet alleen de mogelijkheid dat zij door het vlees, de wereld en de satan meegesleept worden en tot zware en afschuwelijke zonden gebracht worden, maar gebeurt het ook werkelijk dat zij daarin – en God laat dit rechtvaardig toe – soms worden meegesleept. Dit wordt ons duidelijk aangetoond in de Schrift, waar beschreven staat, hoe treurig David, Petrus en andere heiligen in zonde gevallen zijn3.
1Ef. 1:19. 2Mat. 26:41;1Tess. 5:61Tess. 5:17. 32Sam. 11;Mat. 26:69-75.
Artikel 5
Met zulke grove zonden wekken zij Gods toon in hoge mate op; zij verdienen opnieuw de dood; zij bedroeven de Heilige Geest; zij oefenen zich een tijdlang niet meer in het geloof; zij brengen grote schade toe aan hun geweten en ervaren soms voor een tijd de genade niet meer1. Eerst wanneer zij door ernstig berouw op de goede weg terugkeren, doet God zijn vaderlijk aangezicht weer over hen lichten2.
12Sam. 12;Ef. 4:30;Ps. 32:3-5. 2Num. 6:25.
Artikel 6
Want God, die rijk is aan barmhartigheid, neemt naar het onveranderlijk voornemen van de uitverkiezing de Heilige Geest niet helemaal van de zijnen weg, zelfs niet wanneer zij zo treurig in zonde zijn gevallen1. Hij laat hen ook niet zo diep vallen, dat zij de genade van de aanneming tot kinderen en de staat van de rechtvaardiging verliezen, of dat zij de zonde tot de dood of de zonde tegen de Heilige Geest bedrijven en helemaal door God verlaten, zich in de eeuwige ondergang storten2.
1Ef. 1:11;Ps. 51:13. 2Gal. 4:5;1Joh. 5:16-18;Mat. 12:31-32.
Artikel 7
Want ten eerste bewaart God, wanneer zij zo diep vallen, nog in hen zijn onvergankelijk zaad, waaruit zij opnieuw geboren zijn, zodat dit niet vergaat of weggeworpen wordt1. Verder vernieuwt Hij hen zeker en met kracht door zijn Woord en Geest, zodat zij zich bekeren2: zij krijgen van harte en naar Gods wil verdriet over deze zonden; zij begeren en ontvangen door het geloof en met een verbroken hart vergeving door het bloed van de Middelaar; zij ervaren opnieuw de genade van God, die nu met hen verzoend is; zij aanbidden zijn barmhartigheid en trouw en spannen zich voortaan des te meer in om hun behoud met vrees en beven te bewerken3.
11Joh. 3:9;1Pet. 1:23. 22Kor. 7:10;Ps. 51:19;Ps. 32:5. 3Filip. 2:12.
Artikel 8
Niet aan hun eigen verdiensten of krachten, maar aan de genadige barmhartigheid van God hebben zij het te danken, dat zij niet helemaal van het geloof en de genade vervreemden, of voorgoed in hun zonden blijven en zo verloren gaan. Dit zou, wat hen betreft, niet alleen heel goed mogelijk zijn, het zou ongetwijfeld ook gebeuren. Maar wat God betreft, kan dit beslist niet. Want zijn raadsplan kan niet veranderd, zijn belofte niet gebroken en de roeping naar zijn voornemen niet herroepen worden; evenmin kunnen Christus’ verdienste, voorbede en bewaring krachteloos gemaakt worden en ook de verzegeling met de Heilige Geest kan niet verijdeld of vernietigd worden1.
1Ps. 33:11;Heb. 6:17;Rom. 8:30;Rom. 9:11;Rom. 8:34;Luc. 22:32;Ef. 1:13.
Artikel 9
De gelovigen kunnen voor zichzelf zeker zijn van deze bewaring der uitverkorenen tot behoud en van de volharding der ware gelovigen in het geloof1. En zij hebben die zekerheid ook, naarmate zij vast geloven dat zij ware, levende leden van de kerk zijn en altijd zullen blijven, en dat zij vergeving van de zonden en een eeuwig leven hebben.
1Rom. 8:31-39;2Tim. 4:82Tim.4:18.
Artikel 10
Deze zekerheid komt dus niet voort uit een of andere speciale openbaring zonder of buiten het Woord, maar uit het geloof in Gods beloften, die Hij in zijn Woord zo overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft. Zij komt ook voort uit het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt, dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn1, en tenslotte hieruit, dat de gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken2. En als Gods uitverkorenen in deze wereld de vaste troost dat zij de overwinning zullen behouden, moesten missen en zonder dit onbedrieglijke onderpand van de eeuwige heerlijkheid moesten leven, dan zouden zij de beklagenswaardigste van alle mensen zijn3.
1Rom. 8:16-17;1Joh. 3:1-2. 2Hand. 24:16. 3Rom. 8:37;1Kor. 15:19.
Artikel 11
Intussen getuigt de Schrift dat de gelovigen in dit leven tegen allerlei zondige twijfel te strijden hebben en in zware aanvechting dit volle geloofsvertrouwen en deze zekerheid van de volharding niet altijd voelen. Maar God, de Vader van alle vertroosting, laat hen niet boven vermogen verzocht worden, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen en Hij maakt door de Heilige Geest hen weer zeker van de volharding1.
12Kor. 1:3;1Kor. 10:13;2Tim. 4:17-18.
Artikel 12
Deze zekerheid van de volharding verleidt de ware gelovigen beslist niet tot hoogmoed en zondige zorgeloosheid. Integendeel, hieruit komen voort nederigheid, kinderlijke eerbied, een godvrezend leven, vurige gebeden, standvastigheid in alle strijd, in het kruisdragen en in het belijden van de waarheid en ook blijvende blijdschap in God1. Het overdenken van die weldaad is voor hen juist een aansporing zich ernstig en voortdurend te oefenen in dankbaarheid en goede werken2. Dit blijkt immers uit de getuigenissen van de Schrift en de voorbeelden van de heiligen.
1Rom. 12:1;Ps. 116:12. 2Tit. 2:11-14;Ps. 56:13-14;1Joh. 3:3.
Artikel 13
Bij hen die weer opgericht worden, nadat zij in zonde gevallen zijn, herleeft het vertrouwen te zullen volharden. Maar dat veroorzaakt zeker geen zorgeloosheid en slordigheid in de dienst van God. Nee, zij zorgen er juist des te meer voor, nauwgezet op de wegen van de Here te blijven1. Deze zijn immers van tevoren bereid, opdat zij door daarop te wandelen, de zekerheid van hun volharding mogen bewaren. Dan zal het aangezicht van God, die met hen verzoend is, zich niet weer van hen afkeren wegens misbruik van zijn vaderlijke goedheid. Daardoor zouden zij in nog grotere geestelijke benauwdheid terechtkomen. Want wanneer zij die God vrezen, zijn vriendelijk aangezicht zien, is dat hun zoeter dan het leven, maar wanneer God zijn aangezicht verbergt, is dat hun bitterder dan de dood2.
12Kor. 7:9-11;Ef. 2:10. 2Ps. 63:4;Jes. 64:7;Jer. 33:5.
Artikel 14
Nu heeft het God behaagd zijn genadewerk in ons te beginnen door de prediking van het evangelie. Evenzo wil Hij het instandhouden, voortzetten en voltooien door het laten horen, lezen en overdenken van het evangelie, door aansporingen, dreigementen, beloften en ook door het gebruik van de heilige sacramenten1.
1Deut. 6:20-25;2Tim. 3:16-17;Hand. 2:42.
Artikel 15
Deze leer dat de ware gelovigen en heiligen zullen volharden en daar zeker van mogen zijn, heeft God tot eer van zijn naam en tot troost van allen die Hem vrezen, zeer overvloedig in zijn Woord geopenbaard en Hij prent die in de harten van de gelovigen in1.
Weliswaar wordt deze leer door het vlees niet begrepen, door de satan gehaat, door de wereld bespot, door onkundige mensen en huichelaars misbruikt en door dwaalgeesten bestreden, maar de bruid van Christus heeft haar altijd als een schat van oneindige waarde innig liefgehad en standvastig verdedigd2. God zal ervoor zorgen, dat zij dit ook zal blijven doen; tegen Hem kan geen plan iets uitrichten en is geen enkele macht opgewassen3.
Deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen4.
1Opb. 14:12. 2Ef. 5:32. 3Ps. 33:10-11. 41Pet. 5:10-11.
Veroordeling van de dwalingen
Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:
-
De volharding van de ware gelovigen is geen vrucht van de uitverkiezing of een geschenk van God, dat door de dood van Christus verdiend is. Nee, zij is een voorwaarde van het nieuwe verbond, waaraan de mens door zijn vrije wil moet voldoen, voordat hij – zoals zij dat noemen – definitief uitgekozen en gerechtvaardigd wordt.
De Heilige Schrift getuigt echter dat de volharding het gevolg is van de uitverkiezing en dat zij door de kracht van Christus’ dood, opstanding en voorbede aan de uitverkorenen gegeven wordt: Het uitverkoren deel heeft het verkregen en de overigen zijn verhard (Rom. 11:7). Evenzo: Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is de opgewekte, die aan de rechterhand van God is, die ook voor ons pleit. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom. 8:32-35).
-
God schenkt aan de gelovige mens wel voldoende krachten om te volharden en Hij is bereid die krachten in hem in stand te houden, wanneer deze mens zijn plicht verstaat. Maar wanneer alles wat nodig is om in het geloof te volharden en wat God gebruiken wil om het geloof in stand te houden in het werk gesteld is, dan hangt het toch nog altijd van de vrije beslissing van de menselijke wil af, of hij volhardt of niet.
Dit is nu duidelijk een pelagiaanse streek! Terwijl deze opvatting bedoelt de mensen vrij te maken, maakt zij hen tot rovers van Gods eer. Zij is in strijd met wat het Evangelie overal leert. Dit ontneemt de mens alle stof tot roemen en kent de eer voor dit geschenk alleen aan Gods genade toe. Ook gaat deze opvatting in tegen het getuigenis van de apostel: Hij zal u ook bevestigen tot het einde, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van onze Here Jezus Christus (1Kor 1:8).
-
Zij die echt geloven en opnieuw geboren zijn, kunnen niet alleen het rechtvaardigend geloof evenals de genade en het behoud helemaal en voorgoed verliezen, maar zij verliezen deze inderdaad ook vaak en gaan dan voor eeuwig verloren.
Deze opvatting maakt de genade van rechtvaardiging en wedergeboorte en de voortdurende bewaring door Christus krachteloos. Zij is in strijd met het stellige spreken van de apostel Paulus, dat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. Veel meer zullen wij daarom, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn (Rom. 5:8-9). Zij gaat ook in tegen wat de apostel Johannes zegt: Een ieder die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren (1Joh. 3:9). En tegen de woorden van Jezus Christus:Ik geef mijn schapen eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van mijn Vader (Joh. 10:28-29).
-
Zij die echt geloven en opnieuw geboren zijn, kunnen zondigen tot de dood of tegen de Heilige Geest.
Dit is niet juist. De apostel Johannes spreekt in1Joh. 5:16-17 wel over hen die zondigen tot de dood, en hij verbiedt voor hen te bidden, maar dezelfde apostel voegt daar in vers 18 direct aan toe: Wij weten, dat een ieder die uit God geboren is, niet zondigt (namelijk tot de dood); want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem(1Joh. 5:18).
- Zonder een bijzondere openbaring kan de mens er in dit leven niet zeker van zijn, dat hij in de toekomst in het geloof zal volharden.
Door deze leer wordt de vaste troost van de ware gelovigen in dit leven weggenomen en worden de onzekerheden van de roomsen weer in de kerk ingevoerd. Overal ontleent de Heilige Schrift deze zekerheid aan de kenmerken die eigen zijn aan Gods kinderen, en aan de zeer betrouwbare beloften van God, en niet aan een bijzondere en buitengewone openbaring. Vooral is te wijzen op wat de apostel Paulus zegt: Geen schepsel zal ons kunnen scheiden van Gods liefde, welke is in Christus Jezus, onze Here (Rom. 8:39). En Johannes zegt: En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft (1Joh. 3:24).
-
De leer dat de gelovige zeker kan zijn van zijn volharding en zijn behoud, is naar haar aard een oorkussen voor het vlees. Zij is schadelijk voor de vroomheid, goede zeden, gebeden en alles wat verder tot de praktijk van een godvrezend leven behoort. Twijfel aan de volharding valt daarentegen te prijzen.
Wie dit beweren, tonen daarmee de kracht van Gods genade en de werking van de Heilige Geest, die in ons woont, niet te kennen. Ook spreken zij de apostel Johannes tegen, die uitdrukkelijk het tegenovergestelde leert: Geliefden, nu zijn wij Gods kinderen en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is (1Joh. 3:2-3). Bovendien wordt deze leer weerlegd door de voorbeelden van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament: zij waren zeker van hun volharding en behoud, en toch zijn zij blijven bidden en zich ook verder blijven oefenen in de godsvrucht.
-
Het geloof van de mensen die slechts tijdelijk geloven, verschilt alleen in duur van het rechtvaardigend en heilbrengend geloof.
Christus zelf wijst duidelijk op nog drie verschillen tussen hen die slechts tijdelijk geloven en de ware gelovigen. InMat. 13:20 e.v. enLuc. 8:13 e.v. zegt Hij dat wie tijdelijk geloven, het zaad ontvangen in steenachtige grond; zij zijn zonder wortel en brengen geen vrucht voort. Maar de ware gelovigen ontvangen het zaad in goede aarde of in een goed hart; zij bezitten een sterke wortel en brengen zonder ophouden, zij het in verschillende mate, hun vruchten voort.
-
Wanneer de mens zijn eerste wedergeboorte verloren heeft, is het niet ongerijmd, dat hij opnieuw, ja verscheidene keren wedergeboren wordt.
Zij loochenen door deze leer dat het zaad van God, waardoor wij wedergeboren worden, onvergankelijk is. Dit gaat in tegen het getuigenis van de apostel Petrus, die zegt dat wij elkaar moeten liefhebben als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad (1Pet. 1:23).
-
Christus heeft volstrekt niet gebeden dat de gelovigen tot het einde in het geloof zouden volharden.
Zij die dit leren, spreken Christus zelf tegen, die tot Petrus zegt: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken (Luc. 22:32). Ook spreken zij de evangelist Johannes tegen, die getuigt dat Christus gebeden heeft niet alleen voor de apostelen, maar ook voor allen die door hun woord geloven zouden: Heilige Vader, bewaar hen in uw naam; Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze (Joh. 17:11,Joh. 7:15Joh. 7:20).
Slotwoord
Dit is de duidelijke, eenvoudige en eerlijke uiteenzetting van de rechtzinnige leer over de Vijf Artikelen, waarover in Nederland verschil van mening bestaat, met daarbij de veroordeling van de dwalingen, waardoor de Nederlandse kerken een tijdlang in opschudding zijn gebracht. De synode is van oordeel, dat deze uiteenzetting en veroordeling aan het Woord van God ontleend zijn en met de belijdenis van de gereformeerde kerken overeenstemmen. Hieruit blijkt onmiskenbaar, dat zij – wie dit het allerminst paste – in strijd met alle waarheid, redelijkheid en liefde gehandeld hebben die het volk hebben willen wijsmaken:
– De leer van de gereformeerde kerken over de voorbeschikking en wat daarmee verband houdt, vervreemdt door haar aard en strekking de harten van de mensen van alle vroomheid en de dienst van God.
– Zij is een oorkussen voor het vlees en de duivel en een vesting van de satan, van waaruit hij alle mensen belaagt, de meesten verwondt en velen met de pijlen van wanhoop of zorgeloosheid dodelijk treft.
– Deze leer maakt God tot bewerker van de zonde, tot een onrechtvaardige God, een tiran en huichelaar en zij is niet anders dan een vernieuwd stoïcisme, manicheïsme, libertinisme en mohammedanisme.
– Zij brengt de mensen tot zondige zorgeloosheid, doordat zij zichzelf gaan wijsmaken, dat het voor het behoud van de uitverkorenen er niet op aankomt, hoe zij leven en dat zij daarom ook rustig allerlei afschuwelijke misdaden mogen bedrijven.
– Al hadden zij die verworpen zijn, echt alle werken van de heiligen gedaan, het zou niet kunnen bijdragen aan hun behoud.
– Met deze leer wordt beweerd, dat God enkel en alleen door zijn wilsbeschikking en zonder te letten op, of rekening te houden met enige zonde, het grootste deel van de wereld voorbeschikt en geschapen heeft tot de eeuwige ondergang.
– De verwerping is op dezelfde manier de oorzaak van het ongeloof en de goddeloosheid als de verkiezing de bron van het geloof en de goede werken is.
– Veel onschuldige kinderen van de gelovigen rukt God van de moederborst weg en werpt ze als een tiran in het helse vuur, zonder dat het bloed van Christus, de doop of het gebed van de kerk bij de doop hen kan helpen.
En zo is er nog veel meer, dat de gereformeerde kerken niet alleen niet belijden, maar ook van harte en vol afschuw verwerpen.
Daarom bezweert deze synode van Dordrecht in de naam van de Here allen die de naam van onze Verlosser Jezus Christus godvrezend aanroepen, dat zij over het geloof van de gereformeerde kerken niet moeten oordelen op grond van lasterpraat, die van hier en daar bijeen geraapt is. Ook niet op grond van persoonlijke uitspraken van sommige oude of nieuwe leraren; dergelijke uitspraken worden vaak ook nog te kwader trouw aangehaald, verminkt en verkeerd uitgelegd. Maar over het geloof van de gereformeerde kerken moeten zij oordelen op grond van de publieke belijdenisgeschriften van de kerken zelf en op grond van deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer, die door alle leden van de hele synode met volledige eenstemmigheid is vastgesteld.
Vervolgens vermaant deze synode de lasteraars ernstig, om te bedenken wat voor zwaar oordeel van God zij op zich laden, wanneer zij tegen zoveel kerken en de belijdenisgeschriften van zoveel kerken een vals getuigenis spreken, de gewetens van de zwakken in het geloof verontrusten en proberen de gemeenschap van de ware gelovigen bij velen verdacht te maken.
Tenslotte spoort deze synode alle mededienaars in de prediking van het evangelie van Christus aan, zich bij het behandelen van deze leer in scholen en kerken godvrezend en vroom te gedragen. Zij dienen zich daarbij, zowel mondeling als schriftelijk te richten op de eer van God, de heiliging van het leven en de vertroosting van de verslagen harten van de gelovigen. Zij behoren zich in hun denken en spreken over deze leer te houden aan de Schrift naar de overeenstemming van het geloof. Zij dienen zich tenslotte van elke manier van spreken te onthouden, die de grenzen van de duidelijke boodschap van de Heilige Schrift te buiten gaat en die aan de mensen die brutaal spitsvondige redeneringen verzinnen, goede grond zou kunnen geven, om de leer van de gereformeerde kerken te beschimpen of te belasteren.
Wij bidden dat de Zoon van God, Jezus Christus, die gezeten is aan de rechterhand van zijn Vader, aan de mensen gaven schenkt, ons in de waarheid heiligt; dat Hij hen die afgedwaald zijn, tot de waarheid terugbrengt; dat Hij de lasteraars van de gezonde leer de mond snoert en dat Hij aan de trouwe dienaars van zijn Woord de Geest van wijsheid en inzicht geeft, zodat alles wat zij zeggen, zal strekken tot eer van God en tot opbouw van hun hoorders.
Amen.
Geloofsbelijdenis van Athanasius
Geloofsvorm en betekenis van den heilige Athanasius, bisschop van Alexandrië geschreven in het jaar 333 na de geboorte van Christus.
- Al wie behouden wil worden, moet voor alles het algemeen geloof vasthouden;
- als iemand dit niet volledig en ongeschonden bewaart, zal hij ongetwijfeld voor eeuwig verloren gaan.
- Het algemeen geloof nu is dit, dat wij de ene God in de Drieheid en de Drieheid in de Eenheid vereren,
- zonder de Personen te vermengen of het wezen te delen.
- Want de Persoon van de Vader en die van de Zoon en die van de Heilige Geest zijn van elkaar onderscheiden,
- maarde Vader en de Zoon en de Heilige Geest hebben één goddelijkheid, gelijke heerlijkheid, dezelfde eeuwige majesteit.
- Zoals de Vader is, zo is de Zoon, zo is ook de Heilige Geest.
- Ongeschapen is de Vader, ongeschapen de Zoon, ongeschapen de Heilige Geest;
- onmetelijk is de Vader, onmetelijk de Zoon, onmetelijk de Heilige Geest;
- eeuwig is de Vader, eeuwig de Zoon, eeuwig de Heilige Geest.
- En toch zijn Zij niet drie eeuwigen, maar één eeuwige;
- zoals Zij niet drie ongeschapenen of drie onmetelijken zijn, maar één ongeschapene en één onmetelijke.
- Evenzo is de Vader almachtig, de Zoon almachtig, de Heilige Geest almachtig;
- en toch zijn Zij niet drie almachtigen, maar één almachtige.
- Zo is de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest God;
- en toch zijn Zij niet drie Goden, maar één God.
- Zo is de Vader Here, de Zoon Here, de Heilige Geest Here;
- en toch zijn Zij niet drie Heren, maar één Here.
- Want zoals de christelijke waarheid ons noodzaakt elke Persoon afzonderlijk als God en als Here te belijden, zo belet het algemeen geloof ons van drie Goden of Heren te spreken.
- De Vader is door niemand gemaakt of geschapen of voortgebracht.
- De Zoon is door de Vader alleen, niet gemaakt of geschapen, maar voortgebracht.
- De Heilige Geest is door de Vader en de Zoon niet gemaakt of geschapen of voortgebracht, maar Hij gaat van hen uit.
- Eén Vader dus, niet drie Vaders; één Zoon, niet drie Zonen; één Heilige Geest, niet drie Heilige Geesten.
- En in deze Drieéenheid is geen sprake van eerder of later, noch van meer of minder, maar alle drie Personen zijn aan elkaar gelijk in eeuwigheid en in hoedanigheid.
- Daarom moet, zoals reeds gezegd werd, in alle opzichten zowel de Eenheid in de Drieheid als de Drieheid in de Eenheid vereerd worden.
- Wie dus behouden wil worden, moet wat betreft de Drieëenheid deze overtuiging hebben.
- Maar het is voor zijn eeuwig behoud noodzakelijk dat hij ook de vleeswording van onze Here Jezus Christus oprecht gelooft.
- Het ware geloof is nu, dat wij geloven en belijden, dat onze Here Jezus Christus, Gods Zoon, God en mens is.
- God is Hij uit het wezen van de Vader, voortgebracht voor de tijden, en mens is Hij uit het wezen van zijn moeder, geboren in de tijd;
- volkomen God en volkomen mens, met een menselijke ziel en een menselijk lichaam;
- gelijk aan de Vader naar zijn goddelijke natuur, minder dan de Vader naar zijn menselijke natuur.
- En hoewel Hij God en mens is, is Hij toch niet twee, maar één Christus.
- Eén is Hij, echter niet doordat zijn goddelijke natuur in de menselijke veranderde, maar doordat Hij als God de menselijke natuur aannam.
- Eén is Hij, volstrekt niet door vermenging van naturen, maar door eenheid van Persoon.
- Want zoals ziel en lichaam één mens zijn, zo zijn God en mens één Christus.
- Hij heeft geleden voor ons behoud, is neergedaald in de hel en op de derde dag opgestaan uit de doden.
- Hij is opgevaren naar de hemel en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader; vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
- Bij zijn komst zullen alle mensen opstaan met hun lichaam en zij zullen rekenschap afleggen van hun daden.
- En zij die het goede gedaan hebben, zullen het eeuwige leven ingaan, maar zij die het kwade gedaan hebben, het eeuwige vuur.
- Dit is het algemeen geloof. Wie dit niet oprecht en standvastig gelooft, zal niet behouden kunnen worden.
Geloofsbelijdenis van Nicea
De belijdenis van het geloof, gesteld in de vergadering van Nicéa in het jaar 325 na de geboorte van Christus.
Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Schepper van de hemel en de aarde, van alle zichtbare en ontzichtbare dingen.
En in één Heere Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vóór alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God; geboren,
niet geschapen, één van wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen geworden.
Ter wille van ons mensen en van ons behoud is Hij neergedaald uit de hemel en vlees geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria en is een mens geworden.Hij is
ook voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden en is begraven. Op de derde dag is Hij opgestaan overeenkomstig de Schriften. Hij is opgevaren naar de hemel,
zit aan de rechterhand van de Vader en zal in heerlijkheid weerkomen om te oordelen de levenden en de doden. En zijn rijk zal geen einde hebben.
En in de Heilige Geest, die Here is en levend maakt, die van de Vader en de Zoon uitgaat, die samen met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten
En één heilige, algemene en apostolische kerk.
Wij belijden één doop tot vergeving van de zonden.
Wij verwachten de opstanding van de doden en het leven van de komende eeuw.
Amen
Heidelberger Catechismus
De Inhoud van de Heidelberger Catechismus
| Onze enige troost | 1 |
| Deel 1 – Onze ellende | 2–3–4 |
| Deel 2 – Onze verlossing | 5–6–7–8 |
| – God de Vader en onze schepping | 9–10 |
| – God de Zoon en onze verlossing | 11–12–13–14–15–16–17–18–19 |
| – God de Heilige Geest en onze heiliging | 20–21–22 |
| – De rechtvaardiging | 23–24 |
| – Woord en Sacramenten | 25 |
| – De heilige doop | 26–27 |
| – Het heilig avondmaal | 28–29–30 |
| – De sleutels van het koninkrijk der hemelen | 31 |
| Deel 3 – Onze dankbaarheid | 32–33 |
| – De Wet des Heere, ( de tien geboden ) | 34–35–36–37–38–39–40–41–42–43–44 |
| – Het Gebed des Heere | 45–46–47–48–49–50–51–52 |
Zondag 1
Vraag 1: Wat is uw enige troost in leven en sterven?
Antwoord:
Dat ik met lichaam en ziel, in leven en sterven1, het eigendom ben, niet van mijzelf2, maar van mijn trouwe Heiland Jezus Christus3. Want Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald4 en mij uit alle macht van de duivel verlost5.
Hij bewaart mij zo6, dat zonder de wil van mijn hemelse vader geen haar van mijn hoofd kan vallen7, ja zelfs zo, dat alles dienen moet tot mijn heil 8.
Daarom geeft Hij mij door zijn Heilige Geest ook zekerheid van het eeuwige leven9 en maakt Hij mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven10.
1Rom: 14-8; 1Tess: 5-10.21Kor. 6:19-20.31Kor. 3:23; Tit. 2:14.41Pet. 1:18-19; 1Joh. 1:7; 1Joh. 2:2, 12.5Joh. 8:34-36; Heb. 2:14-15; 1Joh. 3:8.6Joh. 6:39; 1Joh. 10:27-30; 2Tess. 3:3; 1Pet. 1:5.7Mat. 10:29-30; Luc. 21: 18.8 Rom. 8:28. 9 Rom. 8: 16; 2Kor. 1: 22; 2Kor. 5:5; Ef. 1:13-14. 10 Rom. 8:14; 1Joh. 3: 3.
Vraag 2: Wat moet u weten om door deze troost gelukkig te leven en te sterven?
Antwoord:
Ten eerste hoe groot mijn zonden en ellende zijn1.
Ten tweede hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word2.
Ten derde hoe ik God voor zo’n verlossing dankbaar moet zijn3.
1Mat. 9: 12 ; Joh. 9: 41 ; Rom. 3: 10 ; 1Joh. 9: 10. 2 Luc. 24: 46-47 ; Joh. 17: 3 ; Hand. 4: 12 ; Hand. 10: 43 ; 1Kor. 6: 11 ; Tit. 3: 3-7 .3Ps. 50 : 14-15 ; Ps. 116 : 12-13 ; Mat. 5: 16 ; Rom.6 :12-13; Ef. 5: 10 ; 2Tim. 2 : 15 ; 1 Pet. 2:9-12 . Zie voorts Mat. 11: 28-30 ; Ef. 5 :8 .
HET EERSTE DEEL
Onze Ellende
Zondag 2
Vraag 3: Waaruit kent u uw ellende?
Antwoord:
Uit de wet van God.1
1 Rom. 3: 20.
Vraag 4: Wat eist God in zijn wet van ons?
Antwoord:
Dat leert Christus ons in een samenvatting, Matteus 22: 37-40:
Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand.
Dit is het grote en eerste gebod.
Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten1.
1 Deut. 6:5; Lev. 19:18; Mar. 12: 30-31; Luc. 10 : 27.
Vraag 5: Kunt u dit alles volbrengen?
Antwoord:
Nee1, want naar mijn aard ben ik erop uit om God en mijn naaste te haten2.
1 Rom. 3:10-23; 1Joh. 1:8-10.2 Gen. 6:5; Gen. 8:21 ; Jer. 17:9; Rom. 7:23 ; Rom. 8:7; Ef. 2:3; Tit. 3:3.
Zondag 3
Vraag 6: Heeft God de mens dan zo slecht en verkeerd geschapen?
Antwoord:
Nee, God heeft de mens goed1 en naar zijn beeld geschapen2, dat wil zeggen: in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God, zijn Schepper, naar waarheid kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige heerlijkheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen3.
1 Gen. 1:31. 2 Gen. 1:26-27. 3 Ef. 4:24; 2Kor. 3: 18; Kol. 3: 10.
Vraag 7: Waaruit komt deze verdorven aard van de mens dan voort?
Antwoord:
Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs1; want daar werd onze natuur zo verdorven, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden2.
1 Gen. 3; Rom. 5: 12-19. 2 Ps. 51: 7; Joh. 3: 6.
Vraag 8: Maar zijn wij zo verdorven, dat wij helemaal onbekwaam zijn tot iets goeds en uit
op elk kwaad?
Antwoord:
Ja1, behalve wanneer wij door de Geest van God opnieuw geboren worden2.
1 Gen. 6:5; Gen. 8:21; Job 14:4; Job 15: 14-35; Jes. 53:6. 2 Joh. 3:3-5; 1Kor. 12: 3; 2Kor. 3: 5
Zondag 4
Vraag 9: Doet God de mens dan geen onrecht, dat Hij in zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?
Antwoord:
Nee, want God heeft de mens zo geschapen, dat hij dit kon doen1. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, op ingeving van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd2.
1 Gen. 1:27; Ef. 4: 24. 2 Gen. 3:4-6; Rom. 5: 12; 1Tim. 2:13-14.
Vraag 10: Wil God zo’n ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Antwoord:
Beslist niet, maar God vertoornt Zich verschrikkelijk, zowel over de zonde die ons aangeboren is als over de zonden die wij doen.
Hij wil die dan ook door een rechtvaardig oordeel in tijd en eeuwigheid straffen1, want Hij heeft gezegd: Vervloekt is een ieder die zich niet houdt aan alles wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen, Galaten 3: 102 .
1 Gen. 2:17; Ex. 20:5 Ex. 34:7 ; Ps. 5:6; Nahum 1:2; Rom. 1:18; Rom. 5:12; Ef. 5:6; Hebr. 9:27. 2 Deut. 27:26.
Vraag 11: Maar God is toch ook barmhartig?
Antwoord:
God is wel barmhartig1, maar Hij is ook rechtvaardig2.
Daarom eist zijn gerechtigheid dat de zonde, die tegen de allerhoogste majesteit van God begaan is, ook met de zwaarste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft wordt3.
1 Ex. 20:6; Ex. 34:6-7. 2 Ex. 20:5 ; Ex. 23: 7; Ex. 34:7; Ps. 7:10; 3 Nahum 1:2-3; 2Tess. 1:9.
HET TWEEDE DEEL
Zondag 5
Vraag 12: Hoe kunnen wij aan deze straf ontkomen en weer in genade aangenomen worden, nu wij naar Gods rechtvaardig oordeel straf in tijd en eeuwigheid verdiend hebben?
Antwoord:
God wil dat aan zijn gerechtigheid wordt voldaan1. Daarom moeten wij òf zelf òf door een ander volkomen betalen2.
1 Gen. 2:17; Ex. 20:5; Ex. 23:7; Ezech. 18: 4; Hebr. 10: 30. 2 Mat. 5: 26; Rom. 8:3, 4.
Vraag 13: Maar kunnen wij zelf betalen?
Antwoord:
Op geen enkele manier. Wij maken de schuld juist elke dag groter1.
1 Job 4: 18-19; Job 9: 2-3; Job 15: 16; Ps. 130:3; Mat. 6: 12; Mat. 16: 26; Mat. 18: 25.
Vraag 14: Kan een schepsel dat alleen maar schepsel is, voor ons betalen?
Antwoord: Nee, want ten eerste wil God geen ander schepsel straffen voor de schuld die de mens gemaakt heeft; ten tweede kan ook geen schepsel dat alleen maar schepsel is, de last van de eeuwige toorn van God tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.
Gen. 3:17; Ezech. 18:4. Ps 130:3; Nahum 1:6.
Vraag 15: Wat voor een Middelaar en Verlosser moeten wij dan zoeken?
Antwoord: Een Middelaar die een echt en rechtvaardig mens is en toch sterker dan alle schepselen, dat wil zeggen: die tegelijk echt God is.
1Kor. 15:21. Heb. 7:26. Jes. 7:14; Jes. 9:5; Jer. 23:6; Luc. 11:22; Rom. 8:3-4.
Zondag 6
Vraag 16: Waarom moet de Middelaar een echt en rechtvaardig mens zijn?
Antwoord:
Omdat Gods gerechtigheid eist, dat de menselijke natuur, die gezondigd heeft, ook voor de zonde betaalt1, en omdat een mens die zelf zondaar is, niet voor anderen kan betalen2.
1 Jes. 53: 3-5; Jer. 33: 15; Ezech. 18: 4-20; Rom. 5:12-15; 1Kor. 15:21; Hebr. 2:14-16. 2 Ps. 49: 8; Hebr. 7:26-27; 1Pet. 3:18.
Vraag 17: Waarom moet de Middelaar tegelijk echt God zijn?
Antwoord:
Om uit kracht van zijn godheid1 de last van Gods toorn2 aan zijn menselijke natuur te kunnen dragen3, en ons de gerechtigheid en het leven te kunnen verwerven en teruggeven4.
1 Jes. 9:5; Rom. 1: 4;Hebr. 1: 3. 2 Deut. 4:24; Nahum 1:6; Ps. 130:3. 3Jes. 53:4-11. 4 Jes. 53: 5-11; Jes. 54: 8; Joh. 3: 16; Hand. 20: 28; 1Pet. 3: 18.
Vraag 18: Wie is dan deze Middelaar, die echt God1 en tegelijk een echt2en rechtvaardig
mens is3?
Antwoord:
Onze Here Jezus Christus4, die ons door God geschonken is tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en tot een volkomen verlossing5.
1Jer. 23: 6; Mal. 3: 1; Rom. 8: 3; Gal. 4: 4; 1Joh. 5: 20. 2 Luc. 1: 42; Luc. 2: 6-7; Rom. 1: 3; Filip. 2: 7; Hebr. 2 : 14-17; Hebr. 4: 15. 3Jes. 53: 9-11; Jer. 23: 5; Luc. 1: 35; Joh. 8: 46; Hebr. 4: 15; Hebr. 7: 26; 1Pet. 1 : 19; 1Pet. 2 : 22; 1Pet. 3: 18 . 4 Mat. 1: 23; Luc. 2: 11;Joh. 1: 1-14; Joh. 14: 6; Rom. 9: 5; 1Tim. 2: 5; 1Tim. 3: 16; Hebr. 2: 9. 5 1Kor. 1: 30; 2 Kor. 5: 21.
Vraag 19: Waaruit weet u dat?
Antwoord:
Uit het heilig evangelie. God heeft dat eerst zelf in het paradijs geopenbaard1. Daarna heeft Hij het door de heilige aartsvaders2 en profeten laten verkondigen3.
Ook heeft Hij dat evangelie van tevoren laten afbeelden door de offers en andere schaduwachtige gebruiken die Hij in de wet had voorgeschreven4.
Tenslotte heeft Hij het door zijn eniggeboren Zoon vervuld5.
1Gen. 3:15. 2 Gen. 12:3; Gen. 22:18 Gen. 26: 4; Gen. 49: 10. 3 Jes. 42: 1-4; Jes. 43: 25; Jes. 49: 6; Jes. 53; Jer. 23:5-6; Jer. 31:32-33; Micha 7:18-20; Joh. 5:46; Hand.3 : 22-24; Hand. 10:43; Rom. 1: 2; Hebr. 1:1. 4 Kol. 2: 17; Hebr. 10: 1-7. 5 Rom. 10:4; Gal. 3: 24; Gal. 4: 4-5; Kol. 2:17.
Zondag 7
Vraag 20: Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn?
Antwoord:
Nee1, maar alleen zij die door waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al zijn weldaden aannemen2.
1Mat. 7:14; Mat. 22:14. 2Ps. 2:12; Marc. 16:16; Joh. 1:12-13; Joh. 3: 16-36; Rom. 3: 22; Rom. 11: 20; Hebr. 4: 2-3; Hebr. 5: 9, Hebr. 10: 39; Hebr. 11: 6.
Vraag 21: Wat is waar geloof?
Antwoord:
Waar geloof is een stellig weten waardoor ik alles voor betrouwbaar houd, wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft1.
Tegelijk is het een vast vertrouwen2, dat de Heilige Geest3 door het evangelie in mijn hart werkt4, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van de zonden, eeuwige gerechtigheid en eeuwig heil5 door God geschonken zijn, enkel uit genade, alleen op grond van de verdienste van Christus6.
1Rom. 4: 20-21; Hebr. 11:1-3; Jak.1: 6. 2 Ps. 9: 11; Rom. 4: 16-21; Rom. 5: 1; Rom. 10: 10; Ef. 3: 12; Hebr. 4: 16. 3 Mat. 16: 17; Joh. 3: 5; Joh. 6: 29; Hand. 16: 14; 2Kor. 4 : 13; Ef. 2: 8; Filip. 1: 29. 4 Marc. 16: 15; Hand. 10: 44; Hand. 16: 14; Rom. 1: 16; Rom. 10: 17; 1Kor. 1: 21. 5 Hab. 2: 4; Hand. 10: 43; Rom. 1: 17; Gal. 3: 11; Hebr. 10: 10-38. 6 Luc. 1: 77-78; Joh. 20: 31; Hand. 10: 43; Rom. 3: 24; Rom. 5: 19; Gal. 2: 16.
Vraag 22: Wat moet een christen geloven?
Antwoord:
Alles wat ons in het Evangelie beloofd wordt.
Daarvan geven de artikelen van ons algemeen en ontwijfelbaar christelijk geloof een samenvatting1.
1 Mat. 28:19; Marc. 1: 15; Joh. 20: 31.
APOSTOLISCHE GELOOFSBELIJDENIS
Vraag 23: Hoe luiden die artikelen?
Antwoord:
- Ik geloof in God de Vader, de Almachtige,Schepper van de hemel en de aarde.
- En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon,onze Here;
- die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
- die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven,
- en begraven; neergedaald in de hel; op de derde dag opgestaan uit de doden;
- opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God de Almachtige Vader;
- vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
- Ik geloof in de Heilige Geest.
- Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen;
- vergeving van de zonden;
- opstanding van het vlees;
- en een eeuwig leven.
Zondag 8
Vraag 24: Hoe worden deze artikelen ingedeeld?
Antwoord:
In drie delen.
Het eerste gaat over God de Vader en onze schepping;
het tweede over God de Zoon en onze verlossing;
het derde over God de Heilige Geest en onze heiliging.
Vraag 25: Waarom noemt u drie Personen: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, terwijl er toch maar één God is1?
Antwoord:
Omdat God Zich zo in zijn Woord geopenbaard heeft: deze drie onderscheiden Personen zijn de ene, ware en eeuwige God2.
1Deut. 6:4; Jes. 44:6; Jes. 45: 5; 1Kor. 8: 4-6; Ef. 4: 5-6. 2 Gen. 1: 2-3; Jes. 61: 1; Mat. 3: 16-17; Mat. 28: 19; Luc.1: 35; Luc.4: 18; Joh. 14: 26; Joh. 15: 26; Hand. 2: 32-33; 2Kor. 13: 13; Gal. 4: 6; Ef. 2: 18; Tit. 3: 4-6.
GOD DE VADER EN ONZE SCHEPPING
Zondag 9
Vraag 26: Wat gelooft u, wanneer u zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde?
Antwoord:
Dat de eeuwige Vader van onze Here Jezus Christus, die hemel en aarde, met al wat erin is, uit niets geschapen heeft1 en ze nog door zijn eeuwige raad en voorzienigheid in stand houdt en regeert2, om zijn Zoon Jezus Christus mijn God en mijn Vader is3.
Daarom vertrouw ik zo op Hem, dat ik er niet aan twijfel, of Hij zal mij voorzien van alles wat ik voor lichaam en ziel nodig heb4, en ook elk kwaad, dat Hij mij in dit moeitevol leven toedeelt, voor mij doen meewerken ten goede5. Want Hij kan dit doen als een almachtig God6 en wil het ook doen als een trouw Vader7.
1Gen. 1:1; Gen. 2:3; Ex. 20:11; Job 33: 4; Job 38: 4-11; Ps. 33:6; Jes. 40: 26; Hand. 4:24; Hand. 14:15. 2 Ps. 104:2-5,Ps. 104:27-30; Ps. 115: 3; Mat. 10: 29-30; Rom.11:36; Ef. 1:11. 3 Joh. 1:12; Rom 8:15; Gal. 4:5-7; Ef. 1:5. 4 Ps. 55:23; Mat. 6:25-26; Luc. 12:22-24. 5 Rom. 8:28. 6 Rom. 8: 37-39; Rom. 10: 12; Openb. 1:8. 7 Mat. 6:32-33; Matt. 7:9-11.
Zondag 10
Vraag 27: Wat verstaat u onder Gods voorzienigheid?
Antwoord:
De almachtige en tegenwoordige kracht van God1, waardoor Hij hemel en aarde, met alle schepselen, als met zijn hand in stand houdt en zó regeert2, dat loof en gras, regen en droogte3, vruchtbare en onvruchtbare jaren, eten en drinken, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen4, niet bij toeval, maar uit zijn vaderhand ons ten deel vallen5.
1Ps. 94:9-10; Jes. 29: 15-16; Jer. 23: 23-24; Ezech. 8: 12; Mat. 17: 27; Hand. 17:25-28. 2 Hebr. 1:3. 3 Jer. 5:24; Hand. 14: 17. 4 Spr. 22:2; Joh. 9:3.5 Spr. 16:33; Mat. 10:29.
Vraag 28: Waarom is het voor ons belangrijk te weten dat God alles geschapen heeft en nog door zijn voorzienigheid in stand houdt?
Antwoord:
Om in alle tegenspoed geduldig1, in voorspoed dankbaar te zijn2 en voor de toekomst dit vaste vertrouwen te hebben in onze trouwe God en Vader, dat geen schepsel ons van zijn liefde scheiden zal3. Want alle schepselen zijn zo in zijn hand, dat zij zich tegen zijn wil niet roeren of bewegen kunnen4.
1Job 1:21-22; Ps. 39:10; Rom.5: 3-4; Jak. 1:3. 2 Deut. 8:10; 1Tess. 5:18. 3Ps. 55:23; Rom. 5:4-5; Rom. 8:38-39. 4 Job 1:12; Job 2:6; Spr. 21:1; Hand. 17:25-28.
GOD DE ZOON EN ONZE VERLOSSING
Zondag 11
Vraag 29: Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Verlosser, genoemd?
Antwoord:
Omdat Hij ons verlost van al onze zonden1, en omdat er bij niemand anders enig behoud te zoeken en te vinden is2.
1 Mat. 1:21; Hebr. 7:25. 2 Jes. 43:11; Joh. 15:4-5; Hand. 4:11-12; 1Tim. 2:5; 1Joh. 5: 11-12.
Vraag 30: Geloven zij dan wel in de enige Verlosser Jezus, die hun behoud en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf of ergens anders zoeken?
Antwoord:
Nee, maar zij verloochenen met de daad de enige Verlosser Jezus, ook al roemen zij met de mond in Hem1.
Want één van beide: òf Jezus is geen volkomen Verlosser, òf zij die deze Verlosser met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben wat voor hun behoud nodig is2.
1 1Kor. 1: 13-31; Gal. 5:4. 2 Jes. 9: 6; Joh. 1: 16; Kol. 1: 19-20; Kol. 2: 10; Hebr. 12: 2; 1Joh. 1: 7.
Zondag 12
Vraag 31: Waarom wordt Hij Christus, dat is Gezalfde, genoemd?
Antwoord:
Omdat Hij door God de Vader is aangesteld en met de Heilige Geest gezalfd1tot onze hoogste Profeet en Leraar, tot onze enige Hogepriester en tot onze eeuwige Koning.
Als Profeet en Leraar heeft Hij ons de verborgen raad en wil van God over onze verlossing volkomen geopenbaard2.
Als Hogepriester heeft Hij ons met het enige offer van zijn lichaam verlost3en blijft Hij met zijn voorbede steeds bij de Vader voor ons pleiten4.
Als Koning regeert Hij ons met zijn Woord en Geest, en beschermt en bewaart Hij ons bij de verworven verlossing5.
1Ps. 45:8 Jes. 61: 1; Luc. 4: 18; Hand. 10: 38; Hebr. 1: 9. 2 Deut. 18: 15; Jes. 55: 4; Mat. 11: 27; Joh. 1: 18; Joh. 15: 15; Hand. 3: 22. 3 Ps. 110: 4; Hebr. 7: 21; Hebr.9: 12-28; Hebr. 10: 12-14. 4Rom. 8: 34; Hebr. 7: 25; Hebr. 9: 24; 1Joh. 2: 1. 5 Ps. 2: 6; Zach. 9: 9; Mat. 21: 5; Mat. 28: 18; Luc. 1: 33; Joh. 10: 28 Openb. 12: 10-11.
Vraag 32: Maar waarom wordt u een christen genoemd1?
Antwoord:
Omdat ik door het geloof een lid van Christus ben en zo deel heb aan zijn zalving2, om:
als profeet zijn naam te belijden3,
als priester mijzelf als een levend dankoffer aan Hem te offeren4,
en als koning in dit leven met een vrij en goed geweten tegen de zonde en de duivel te strijden5 en na dit leven in eeuwigheid met Hem over alle schepselen te regeren6.
1Hand. 11: 26. 2 Jes. 59: 21 ; Joel 2: 28; Hand. 2: 17; 1Kor. 6: 15; 1Joh. 2: 27. 3 Mat. 10:32-33; Rom. 10: 10. 4 Ex. 19: 6; Rom. 12: 1; 1Pet. 2: 5; Opb. 1: 6; Opb. 5: 8-10. 5 Rom. 6: 12-13; Gal. 5: 16-17; Ef. 6: 11; 1Tim. 1: 18-19; 1Pet. 2: 9-11. 6 2Tim. 2: 12; Opb. 22: 5.
Zondag 13
Vraag 33: Waarom wordt Christus de eniggeboren Zoon van God genoemd? Wij zijn toch ook Gods kinderen?
Antwoord:
Omdat alleen Hij de eeuwige en natuurlijke Zoon van God is1. Maar wij zijn om Christus’ wil uit genade tot Gods kinderen aangenomen2.
1Joh.1: 14-18; Joh.3:16; Rom.8: 32; Hebr. 1: 1-2; 1Joh. 4:9. 2Joh. 1:12; Rom. 8:15-17; Gal. 4:6;Ef. 1:5-6.
Vraag 34: Waarom noemt u Hem onze Here?
Antwoord:
Omdat Hij ons met lichaam en ziel, niet met goud of zilver, maar met zijn kostbaar bloed van al onze zonden vrijgekocht en uit alle macht van de duivel verlost heeft. Zo heeft Hij ons tot zijn eigendom gemaakt1.
1 Joh. 20: 28; 1Kor. 6:20; 1Kor. 7: 23; Ef. 1: 7; 1Tim. 2: 6; 1Pet. 1: 18-19; 1Pet. 2: 9.
Zondag 14
Vraag 35: Wat belijdt u met de woorden: die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria?
Antwoord:
De eeuwige Zoon van God, die echt en eeuwig God is en blijft1, heeft door de werking van de Heilige Geest echte menselijke natuur aangenomen2 uit het vlees en bloed van de maagd Maria3, om het ware zaad van David te zijn4, zijn broeders in alles gelijk, maar zonder zonde5.
1Mat. 1: 23; Mat. 3: 17; Mat. 16: 16; Mat. 17: 5; Marc. 1: 11; Joh. 1: 1; Joh. 17: 3-5; Joh. 20: 28; Rom. 1: 3-4; Rom. 9:5; Filip. 2: 6; Kol. 1:15-16; Tit. 2: 13; Hebr. 1: 3; 1Joh. 5: 20. 2 Mat. 1:18-20; Luc.1: 35. 3 Luc. 1:31-43; Joh. 1: 14; Gal. 4: 4. 4 2Sam. 7:12; Ps. 132:11; Mat. 1:1; Luc. 1:32; Hand. 2: 30-31; Rom. 1:3. 5 Filip. 2:7; Hebr. 2: 14-17. Hebr. 4:15; Hebr. 7:26-27
Vraag 36: Wat is voor u de waarde van de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?
Antwoord:
Zo is Hij onze Middelaar1, die met zijn onschuld en volkomen heiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezicht bedekt2.
1 Hebr. 2: 16-18; Hebr. 7:26-27 2 Ps. 32: 1; Jes. 53: 11; Rom. 8: 3-4; 1Kor. 1: 30-31; Gal. 4: 4-5; 1Pet. 1: 18-19; 1Pet. 3: 18.
Zondag 15
Vraag 37: Wat belijdt u met het woord: geleden?
Antwoord:
Christus heeft heel de tijd van zijn leven op aarde, maar vooral aan het einde daarvan, de toorn van God tegen de zonde van het hele menselijke geslacht aan lichaam en ziel gedragen1.
Hij deed dit om door zijn lijden, als het enige zoenoffer 2, ons lichaam en onze ziel van het eeuwige oordeel te verlossen3 en Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige leven voor ons te verwerven4.
1Jes. 53: 4-12; 1Tim. 2:6; 1Pet. 2:24; 1Pet. 3:18. 2 Jes. 53: 10; Rom. 3: 25; 1Kor. 5: 7; Ef. 5: 2; Hebr. 9: 28; Hebr. 10: 14; 1Joh. 2: 2; 1Joh.4: 10.3 Gal. 3: 13; Kol.1: 13; Hebr.9:12; 1Pet. 1: 18-19. 4Joh. 3:16; Joh. 6: 51; 2Kor. 5:21; Hebr. 9:15; Hebr. 10: 19.
Vraag 38: Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
Antwoord:
Christus is onschuldig onder de wereldlijke rechter veroordeeld1, om ons te bevrijden van het strenge oordeel van God, dat over ons zou komen2.
1 Mat. 27: 24; Luc. 23:13-15; Joh. 18: 38; Joh. 19: 4-11. 2 Jes. 53:4-5; 2Kor. 5:21; Gal. 3:13.
Vraag 39: Heeft het een bijzondere betekenis dat Christus is gekruisigd en niet op een andere wijze is gestorven?
Antwoord:
Ja, want daardoor ben ik er zeker van, dat Hij de vloek die op mij lag, op Zich geladen heeft1, omdat de kruisdood door God vervloekt was2.
1 Gal. 3: 13 . 2 Deut. 21: 23.
Zondag 16
Vraag 40: Waarom moest Christus Zich tot in de dood vernederen?
Antwoord:
Omdat vanwege Gods gerechtigheid en waarheid1 niet anders voor onze zonden betaald kon worden dan door de dood van Gods Zoon2.
1 Gen. 2:17 . 2 Rom. 8:3-4; Filip. 2:8; Heb 2:9-15.
Vraag 41: Waarom is Christus begraven?
Antwoord:
Om daardoor aan te tonen dat Hij echt gestorven was1.
1 Mat. 27: 59-60; Luc. 23: 53; Joh. 19: 40-42; Hand. 13: 29; 1Kor. 15:3-4.
Vraag 42: Nu Christus voor ons gestorven is, waarom moeten wij dan nog sterven?
Antwoord:
Onze dood is geen betaling voor onze zonden1, maar alleen een afsterven van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven2.
1 Marc. 8: 37. 2 Joh. 5:24; Rom. 7: 24-25; Filip. 1: 23.
Vraag 43: Wat is voor ons nog meer de waarde van het offer en de dood van Christus aan het kruis?
Antwoord:
Door zijn kracht wordt onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven1, opdat de slechte begeerten van het vlees in ons niet meer regeren2, maar opdat wij onszelf aan Christus offeren als een offer van dankbaarheid3.
1 Rom 6:6 . 2 Rom 6:8-12 . 3 Rom. 12:1.
Vraag 44: Waarom volgt er: neergedaald in de hel?
Antwoord:
Daardoor mag ik er in mijn felste aanvechtingen zeker van zijn en er rijke troost uit putten, dat mijn Here Jezus Christus mij van de angst en pijn van de hel verlost heeft1.
Hij heeft deze verlossing bewerkt door zijn onuitsprekelijke angsten, smarten, verschrikking en helse kwelling, waarin Hij gedurende heel zijn lijden, maar vooral aan het kruis, verzonken was2.
1 Jes. 53: 5 . 2 Mat. 26: 38 ; Mat. 27: 46; Hebr. 5: 7.
Zondag 17
Vraag 45: Wat is voor ons de waarde van de opstanding van Christus?
Antwoord:
Ten eerste heeft Hij door zijn opstanding de dood overwonnen, om ons te doen delen in de gerechtigheid, die Hij door zijn dood voor ons had verworven1.
Ten tweede worden ook wij door zijn kracht nu al opgewekt tot een nieuw leven2.
Ten derde is de opstanding van Christus voor ons een onderpand van onze opstanding in heerlijkheid3.
1Rom. 4:25; 1Kor. 15:16-18; 1Pet. 1:3. 2Rom.6:4; Kol. 3: 1-3; Ef. 2: 4-6. 3Rom. 8:11; 1Kor. 15:20-22.
Zondag 18
Vraag 46: Wat belijdt u met de woorden: opgevaren naar de hemel?
Antwoord:
Dat Christus voor de ogen van zijn discipelen van de aarde naar de hemel is opgenomen1 en daar ons ten goede is2, totdat Hij terugkomt om te oordelen de levenden en de doden3.
1 Marc. 16:19; Luc. 24: 51; Hand. 1:9. 2 Rom. 8:34; Ef.4: 10; Kol. 3: 1; Hebr. 4:14; Hebr. 7: 24-25; Hebr. 9:24. 3 Mat. 24:30; Hand. 1:11.
Vraag 47: Is Christus dan niet bij ons tot aan de voleinding van de wereld, zoals Hij ons beloofd heeft1?
Antwoord:
Christus is echt mens en echt God. Naar zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde2, maar naar zijn godheid, majesteit, genade en Geest verlaat Hij ons nooit meer3.
1 Mat. 28:20. 2 Mat. 26:11; Joh. 16:28; Joh. 17:11; Hand. 3:21; Hebr. 8:4. 3 Mat. 28:20; Joh. 14:16-18; Joh. 16:13; Ef. 4: 8.
Vraag 48: Maar als de menselijke natuur niet overal is waar de godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden?
Antwoord:
Beslist niet. Want zijn godheid kan door niets ingesloten worden en is overal tegenwoordig1. Daaruit volgt dat deze godheid wel buiten haar aangenomen mensheid is 2, maar toch ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.
1Jes.66: 1; Jer. 23: 23-24; Hand. 7:49; Hand.17: 27-28. 2 Mat. 28: 6; Joh. 3:13; Joh. 11: 15; Kol. 2:9.
Vraag 49: Wat is voor ons de waarde van de hemelvaart van Christus?
Antwoord:
Ten eerste is Hij in de hemel voor het aangezicht van zijn Vader om voor ons te pleiten1.
Ten tweede hebben wij in Hem ons vlees in de hemel tot een onderpand, dat Hij als het Hoofd ons, zijn leden, ook tot Zich nemen zal2.
Ten derde zendt Hij ons zijn Geest als tegenpand3; door zijn kracht zoeken wij wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God, en niet wat op de aarde is4.
1 Rom. 8:34; 1Joh. 2:1. 2 Joh. 14:2-3; Joh. 17: 24; Ef. 2:6. 3 Joh. 14:16; Joh. 16:7; Hand. 2: 33; 2Kor. 1: 22; 2Kor. 5: 5. 4 Filip. 3: 20; Kol. 3:1.
Zondag 19
Vraag 50: Waarom wordt eraan toegevoegd: en zit aan de rechterhand van God?
Antwoord:
Christus is opgevaren naar de hemel om Zich daar te bewijzen als het Hoofd van zijn christelijke kerk1, door wie de Vader alle dingen regeert2.
1 Ef. 1:20-23; Kol. 1:18. 2 mat.28.18mat.28.18Mat. 28:18; Jhn.5.22Jhn.5.22Joh. 5:22.
Vraag 51: Wat is voor ons de waarde van deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
Antwoord:
Ten eerste giet Hij door zijn Heilige Geest in ons, zijn leden, de hemelse gaven uit1.
Ten tweede beschermt en bewaart Hij ons met zijn macht tegen alle vijanden2.
1 Hand. 2:33; eph.4.8-12eph.4.8-12Ef. 4:8-12. 2 Ps.2.9Ps.2.9Ps. 2:9; Ps. 110:1-2; Joh. 10:28; Ef. 4: 8;Rev.12..5Rev.12..5Opb. 12: 5.
Vraag 52: Welke troost schenkt u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?
Antwoord:
Dat ik in alle droefheid en vervolging met opgeheven hoofd juist Hem als Rechter uit de hemel verwacht, die Zich eerst om mij voor Gods rechterstoel gesteld en heel de vloek van mij weggenomen heeft1.
Hij zal dan al zijn en mijn vijanden aan de eeuwige ondergang overgeven2, maar mij met alle uitverkorenen tot Zich nemen in de hemelse blijdschap en heerlijkheid3.
1 Luc. 21:28; Rom. 8:23-24; Filip. 3:20; 1Tess. 4: 16; tit.2.13tit.2.13Tit. 2:13. 2 mat.25.41-43mat.25.41-43Mat. 25:41-43; 2Th.1..6-9.2Th.1..6-9.2Tess. 1: 6-9.
3 mat.25..34-36mat.25..34-36Mat. 25: 34-36; 2Tess. 1: 7-10.
GOD DE HEILIGE GEEST EN ONZE HEILIGING
Zondag 20
Vraag 53: Wat gelooft u van de Heilige Geest?
Antwoord:
Ten eerste dat Hij samen met de Vader en de Zoon echt en eeuwig God is1.
Ten tweede dat Hij ook mij gegeven is2, om mij door waar geloof aan Christus en al zijn weldaden deel te geven3, mij te troosten4 en eeuwig bij mij te blijven5.
1 Gen. 1: 2; Hand. 5: 3-4; 1Kor. 2: 10; 1Kor. 3:16; 1Kor. 6: 19. 2 Mat. 28: 19; 2Kor. 1: 21-22; Gal. 3: 14; Gal. 4: 6; Ef. 1: 13. 3 Joh. 16: 14; 1Kor. 2: 12; 1Pet. 1:2. 4 Joh. 15:26; Hand. 9:31. 5 Jhn.14.16-17Jhn.14.16-17Joh. 14:16-17; 1pe.4.141pe.4.141Pet. 4:14.
Zondag 21
Vraag 54: Wat gelooft u van de heilige, algemene, christelijke kerk?
Antwoord:
Dat de Zoon van God1 uit het hele menselijke geslacht2 Zich een gemeente3, die tot het eeuwige leven uitverkoren is4, van het begin van de wereld tot aan het einde5 vergadert, beschermt en onderhoudt6. Hij doet dit door zijn Geest en Woord7 in eenheid van het ware geloof8.
En ik geloof dat ik van deze gemeente een levend lid ben9 en eeuwig zal blijven10.
1Joh. 10:11; Ef.4: 11-13; Ef.5: 25-26. 2Gen. 26:4; Jes. 49: 6; Rom.10: 12-13; Opb. 5:9. 3Ps. 111: 1; Hand. 20: 28; Hebr. 12: 22-23. 4 Rom. 8: 29-30; Ef. 1: 10-14; 1Pet. 2:9. 5 Ps. 71: 17-18; Jes. 59: 21; 1Kor. 11: 26. 6 Ps.129..4-5Ps.129..4-5Ps. 129: 4-5; Mat. 16: 18; Joh. 10: 16-28. 7Jes. 59: 21; Rom. 1: 16; Rom. 10: 14-17; Ef. 5: 26. 8 Joh. 17: 21; Hand. 2: 42; Ef. 4: 3-6; 1Tim. 3: 15. 9 Rom. 8: 10; 1Joh. 3: 14-21. 10 Ps. 23: 6; Joh. 10: 28; Rom. 8: 35-39; 1Kor. 1: 8-9; 1Pet. 1: 5; 1Joh. 2: 19.
Vraag 55: Wat verstaat u onder de gemeenschap der heiligen?
Antwoord:
Ten eerste dat de gelovigen allen samen en ieder persoonlijk als leden gemeenschap hebben met de Here Christus en deel hebben aan al zijn schatten en gaven 1.
Ten tweede dat ieder verplicht is zijn gaven tot nut en heil van de andere leden gewillig en met vreugde te gebruiken2.
1 Rom. 8:32; 1Kor. 6:17; 1Kor. 12: 12-13; 1Joh. 1:3. 2 1Kor. 12:21; 1Kor. 13:1-7; Filip. 2:2-5.
Vraag 56: Wat belijdt u met de woorden: vergeving van de zonden?
Antwoord:
Omdat Christus voldaan heeft, wil God nooit meer denken aan al mijn zonden1, ook niet aan mijn zondige aard2, waartegen ik mijn leven lang moet strijden. Maar God schenkt mij uit genade de gerechtigheid van Christus3, zodat ik nooit meer door Hem veroordeeld word4.
1Ps103.3-12Ps103.3-12Ps.103:3-12; Jer31..34Jer31..34Jer.31: 34; Mic.7.19Mic.7.19Micha 7:19; 2co.5.192co.5.192Kor. 5:19. 2Rom.7.23-25Rom.7.23-25Rom. 7:23-25. 32co.5.212co.5.212Kor. 5:21; 1jn1..71jn1..71Joh.1: 7; 1jn.2..1-21jn.2..1-21Joh. 2: 1-2. 4 Jhn.3..18Jhn.3..18Joh. 3: 18; Jhn.5..24Jhn.5..24Joh. 5: 24.
Zondag 22
Vraag 57: Welke troost geeft u de opstanding van het vlees?
Antwoord:
Dat niet alleen mijn ziel na dit leven terstond tot haar Hoofd Christus opgenomen zal worden1, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt, weer met mijn ziel verenigd en aan het verheerlijkt lichaam van Christus gelijkvormig zal worden2.
1 Luc. 16:22; Luc. 20: 37-38; Luc. 23: 43; Filip. 1: 21-23; Opb. 14: 13. 2Job 19:25-27; 1Kor. 15:53-54; Filip. 3:21; 1Joh. 3:2.
Vraag 58: Welke troost put u uit het artikel over het eeuwige leven?
Antwoord:
Evenals ik nu al het begin van de eeuwige vreugde in mijn hart voel1, zal ik ook na dit leven volkomen heerlijkheid bezitten, die geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en die in geen mensenhart is opgekomen, en wel om God daarin eeuwig te prijzen2.
1 Joh. 17:3; 2Kor. 5:2-3. 2 Joh. 17:24; 1Kor. 2:9.
DE RECHTVAARDIGING
Zondag 23
Vraag 59: Wat hebt u er nu aan, dat u dit alles gelooft?
Antwoord:
Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven1.
1 Hab. 2:4; Joh. 3:36; Rom. 1:17.
Vraag 60: Hoe bent u rechtvaardig voor God?
Antwoord:
Alleen door waar geloof in Jezus Christus1.
Al klaagt mijn geweten mij aan, dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb en dat ik nog altijd uit ben op elk kwaad2, toch schenkt God mij, zonder enige verdienste van mijn kant, alleen uit genade3, de volkomen voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus 4. Hij rekent mij die toe5, alsof ik nooit zonde had gehad of gedaan, ja, alsof ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht had die Christus voor mij volbracht heeft6.
Aan deze weldaad heb ik alleen deel, als ik die met een gelovig hart aanneem7.
1Rom. 3:21-26 ; Rom. 5: 1-2; Gal.2: 16; Ef.2: 8-9; Filip. 3: 9. 2 Rom. 3: 9; Rom. 7: 23. 3 Deut. 9: 6; Ezech. 36: 22; Rom. 3: 24; Rom.7: 23-25; Ef. 2:8; Tit. 3: 5. 41Joh.2: 1- 2. 5 Rom. 4:4-8; 2Kor. 5:19. 6 2Kor. 5:21. 7 Joh. 3:18; Rom 3:22.
Vraag 61: Waarom zegt u dat u alleen door het geloof rechtvaardig bent?
Antwoord:
Niet omdat ik door de waarde van mijn geloof voor God aangenaam ben. Maar alleen de voldoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus is mijn gerechtigheid voor God1. En alleen door het geloof kan ik die aannemen en tot mijn eigendom maken2.
1 1Kor. 1:30; 1Kor. 2:2. 2 1Joh. 5:10.
Zondag 24
Vraag 62: Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een deel daarvan zijn?
Antwoord:
Omdat de gerechtigheid die voor Gods gericht bestaan kan, geheel volmaakt en in alle opzichten met Gods wet in overeenstemming moet zijn1, terwijl zelfs onze beste werken in dit leven allemaal onvolmaakt en met zonden bevlekt zijn2.
1 Deut. 27:26; Gal. 3:10. 2 Jes. 64:6.
Vraag 63: Maar hebben onze goede werken dan geen verdienste? God wil ze toch in dit en in
het toekomstige leven belonen?
Antwoord:
Deze beloning wordt niet uit verdienste, maar uit genade gegeven1.
1 Luc. 17: 10.
Vraag 64: Maar maakt deze leer de mensen niet zorgeloos en goddeloos?
Antwoord:
Nee, want het kan niet anders, of ieder die door waar geloof in Christus ingeplant is, brengt vruchten van dankbaarheid voort1.
1 Mat. 7:18; Joh. 15:5.
WOORD EN SACRAMENTEN
Zondag 25
Vraag 65: Nu alleen het geloof ons aan Christus en aan al zijn weldaden deel geeft, waar
komt dit geloof vandaan?
Antwoord:
Van de Heilige Geest1, die het geloof in ons hart werkt door de verkondiging van het heilig evangelie2 en het versterkt door het gebruik van de sacramenten3.
1 Joh. 3:5; 1 Kor. 2:12; 1 Kor. 12:3; Ef. 1:17, 18; Ef. 2:8; Filip. 1:29. 2Hand. 16:14; Rom. 10:17; 1 Petr. 1:23. 3 Matt. 28:19.
Vraag 66: Wat zijn sacramenten?
Antwoord:
Sacramenten zijn heilige zichtbare tekenen en zegels, die God ingesteld heeft om ons door het gebruik daarvan de belofte van het evangelie nog beter te doen verstaan en te verzegelen.
Deze belofte houdt in dat Hij ons om het enige offer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving van zonden en eeuwig leven uit genade schenkt1.
1Gen. 17:11; Lev. 6:25; Deut.30:6; Jes. 6:6,7; Jes. 54:9; Ezech. 20:12; Rom.4:11;Hebr. 9:7,9; Hebr.9:24.
Vraag 67: Hebben het woord en de sacramenten beide als doel ons geloof te wijzen op het offer van Jezus Christus aan het kruis, als de enige grond van ons heil1?
Antwoord:
Ja, want de Heilige Geest leert ons in het evangelie en bevestigt ons door de sacramenten, dat ons volkomen heil rust in het enige offer van Christus, dat voor ons aan het kruis gebracht is.
1 Rom. 6:3; Gal. 3:27.
Vraag 68: Hoeveel sacramenten heeft Christus in het nieuwe verbond ingesteld?
Antwoord:
Twee, namelijk de heilige doop en het heilig avondmaal.
DE HEILIGE DOOP
Zondag 26
Vraag 69: Hoe wordt u in de heilige doop onderwezen en ervan verzekerd, dat het enige offer
van Christus aan het kruis u ten goede komt?
Antwoord:
Christus heeft het waterbad van de doop ingesteld1 en daarbij beloofd, dat ik met zijn bloed en Geest van de onreinheid van mijn ziel, dat is van al mijn zonden, gewassen ben2. Dit is even zeker als ik gewassen ben met het water, dat de onreinheid van het lichaam wegneemt.
Hand. 2:38; Rom. 6:3,4; 1Petr. 3:21. 1 Matt. 28:19. 2 Matt.3:11; Marc.1: 4; Marc. 16:16; Luc. 3:3; Joh. 1:33;
Vraag 70: Wat betekent dat: met het bloed en de Geest van Christus gewassen te zijn?
Antwoord:
Dat wij van God vergeving van de zonden hebben uit genade, om het bloed van Christus, dat Hij in zijn offer aan het kruis voor ons vergoten heeft1.
Verder ook, dat wij door de Heilige Geest vernieuwd en tot leden van Christus geheiligd zijn, zodat wij hoe langer hoe meer van de zonde afsterven en godvrezend en onberispelijk leven2.
1 Ezech. 36:25; Zach. 13:1; Hebr. 12:24; 1 Petr. 1:2; Openb. 1:5; Openb. 7:14 2 Ezech. 36:26,27; Joh. 1:33; Joh. 3:5; Rom. 6:4; 1 Kor. 6:11; 1 Kor. 12: 13; Kol. 2:11,12.
Vraag 71: Waar heeft Christus ons beloofd dat Hij ons even zeker met zijn bloed en Geest
wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden?
Antwoord:
In de instelling van de doop, die zo luidt: Gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, Matteüs 28: 19.
En:Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden, Marcus 16: 16.
Deze belofte wordt herhaald waar de Schrift de doop het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden noemt, Titus 3: 5; Handelingen 22: 16.
Zondag 27
Vraag 72: Is dat waterbad dan de afwassing van de zonden zelf?
Antwoord:
Nee1, want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigen ons van alle zonden2.
1 Matt. 3:11; Ef. 5: 26; 1 Petr. 3:21. 2 1 Kor. 6: 11; 1 Joh. 1:7.
Vraag 73: Waarom noemt de Heilige Geest de doop dan het bad van de wedergeboorte en de afwassing van de zonden?
Antwoord:
God zegt dat niet zonder dringende reden.
Want Hij wil ons daarmee leren, dat onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden, evenals de onreinheid van het lichaam door het water1.
Maar vooral wil Hij ons door dit goddelijk pand en teken ervan verzekeren, dat wij even werkelijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als ons lichaam met het water gewassen wordt2.
1 1 Kor. 6:11; Openb. 1:5; Openb. 7:14. 2 Marc. 16:16; Gal. 3:27.
Vraag 74: Moeten ook de kleine kinderen gedoopt worden?
Antwoord:
Ja, want de kinderen horen evengoed als de volwassenen bij Gods verbond en bij zijn gemeente1.
Ook worden aan hen evenals aan de volwassenen, door het bloed van Christus, de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, beloofd2.
Daarom moeten zij door de doop, als teken van het verbond, bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden worden3. In het oude verbond gebeurde dat door de besnijdenis 4; in het nieuwe verbond is in plaats daarvan de doop ingesteld5.
1 Gen. 17:7. 2 Ps. 22:11; Jes. 44: 1-3; Jes. 44: 1-3; Matt. 19: 14; Hand. 2: 39. 3 Hand. 10:47. 4 Gen. 17:14. 5 Kol. 2: 11, 12.
HET HEILIG AVONDMAAL
Zondag 28
Vraag 75: Hoe wordt u in het heilig avondmaal onderwezen en ervan verzekerd, dat u aan het enige offer van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al zijn schatten deel hebt?
Antwoord:
Christus heeft mij en alle gelovigen een bevel en daarbij ook een belofte gegeven.
Hij heeft bevolen tot zijn gedachtenis van dit gebroken brood te eten en uit deze beker te drinken.
Hij heeft daaarbij ten eerste belooft, dat zijn lichaam voor mij aan het kruis geofferd en zijn bloed voor mij vergoten is. Dit is even zeker als ik met de ogen zie dat het brood des Heren voor mij gebroken en de beker mij gegeven wordt.
Ten tweede heeft Hij beloofd, dat Hij zelf mijn ziel met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed tot het eeuwige leven voedt en verkwikt. Dit is even zeker als ik het brood en de wijn, als betrouwbare tekenen van Christus’ lichaam en bloed, uit de hand van de dienaar ontvang en met de mond geniet1.
1 Matt. 26:26-28; Marc. 14:22-24; Luc. 22: 19, 20; 1 Kor. 10: 16, 17; 1 Kor. 11:23-25.
Vraag 76: Wat betekent dat: het gekruisigd lichaam van Christus eten en zijn vergoten bloed drinken?
Antwoord:
Dat wij met een gelovig hart heel het lijden en sterven van Christus aannemen en daardoor vergeving van zonden en eeuwig leven verkrijgen1.
Verder ook, dat wij door de Heilige Geest, die tegelijk in Christus en in ons woont, steeds meer met zijn heilig lichaam verenigd worden2, en wel zo, dat wij, hoewel Christus in de hemel is3 en wij op aarde zijn, toch vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn4; en ook zo, dat wij door één Geest eeuwig leven en geregeerd worden, zoals de leden van het lichaam door één ziel5.
1Joh. 6:35, 40, 47-54. 2 Joh. 6:55, 56; 3 Hand.1:9, 11; Hand. 3:21; 1Kor. 11:26; Kol. 3:1. 4Joh.14: 23; 1 Kor. 6:15,17,19; Ef.3: 6,17; Ef. 5:29,30; 1Joh. 3: 24; 1 Joh. 4:13. 5Joh. 6:57; Joh.15:1-6; Ef.4:15,16.
Vraag 77: Waar heeft Christus beloofd dat Hij de gelovigen even zeker met zijn lichaam en bloed wil voeden en verkwikken, als zij van dit gebroken brood eten en uit deze beker drinken?
Antwoord:
In de instelling van het avondmaal, die zo luidt1:
In de nacht waarin Hij werd overgeleverd, nam de Here Jezus een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en zei: Dit is mijn lichaam voor u, doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zei: Deze beker is het nieuwe verbond in mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt, 1 Korintiërs 11:23-26.
Deze belofte wordt herhaald door de apostel Paulus, als hij zegt:
Is niet de beker der dankzegging, waarover wij de dankzegging uitspreken, een gemeenschap met het bloed van Christus? Is niet het brood, dat wij breken, een gemeenschap met het lichaam van Christus? Omdat het één brood is, zijn wij, hoe velen ook, één lichaam; wij hebben immers allen deel aan het ene brood, 1 Korintiërs 10:16, 17.
1 Mat. 26: 26-28; Marc. 14: 22-24; Luc. 22: 19, 20.
Zondag 29
Vraag 78: Worden dan brood en wijn veranderd in het eigen lichaam en bloed van Christus?
Antwoord:
Nee1, het is bij het avondmaal net als bij de doop.
Bij de doop wordt het water niet veranderd in het bloed van Christus en de doop is ook niet de afwassing van de zonden zelf, maar alleen een door God gegeven teken en waarborg ervan2.
Zo wordt ook het brood bij het avondmaal niet veranderd in het eigen lichaam van Christus3. Maar het brood wordt het lichaam van Christus genoemd, overeenkomstig de aard van de sacramenten en de manier waarop de Heilige Geest hierover spreekt4.
1 Matt. 26: 29. 2 Ef. 5: 26; Tit. 3: 5. 3 1 Kor. 10:16; 1 Kor. 11:26. 4 Gen. 17:10, 11; Ex. 12: 11, 13; Ex. 12: 26, 27; Ex. 13: 9; Ex. 24: 8; Hand. 22: 16; 1 Kor. 10: 1-4; 1 Petr. 3:21.
Vraag 79: Waarom noemt Christus dan het brood zijn lichaam, en de beker zijn bloed, of het nieuwe verbond in zijn bloed, en spreekt Paulus van een gemeenschap met het lichaam en het bloed van Christus?
Antwoord:
Christus zegt dat niet zonder dringende reden.
Want Hij wil ons daarmee leren, dat zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloed de echte spijs en drank zijn, waardoor onze ziel tot het eeuwige leven gevoed wordt, evenals brood en wijn ons tijdelijk leven onderhouden1.
Maar vooral wil Hij ons door deze zichtbare tekenen en panden ervan verzekeren:
ten eerste dat wij door de werking van de Heilige Geest even werkelijk deel krijgen aan zijn echte lichaam en bloed, als wij deze heilige tekenen met de lichamelijke mond tot zijn gedachtenis ontvangen2;
ten tweede dat heel zijn lijden en gehoorzaamheid zo zeker ons deel zijn, alsof wij in eigen persoon voor onze zonden alles geleden en onze schuld aan God voldaan hadden.
1 Joh. 6:51-55. 2 1Kor. 10:16.
Zondag 30
Vraag 80: Wat is het verschil tussen het avondmaal van de Here en de pauselijke mis?
Antwoord:
Het avondmaal van de Here verzekert ons ervan:
ten eerste dat wij volkomen vergeving van al onze zonden hebben door het enige offer van Jezus Christus, dat Hij zelf éénmaal aan het kruis heeft volbracht1;
ten tweede dat wij door de Heilige Geest ingelijfd2 worden bij Christus, die nu naar zijn menselijke natuur niet op de aarde is, maar in de hemel aan de rechterhand van God zijn Vader3 en dáár door ons wil worden aangebeden4.
Maar de mis leert:
ten eerste dat de levenden en de doden alleen dan door het lijden van Christus vergeving van zonden hebben, indien Christus nog dagelijks door de priesters in de mis voor hen geofferd wordt;
ten tweede dat Christus lichamelijk in de gedaante van brood en wijn aanwezig is en daarom ook in die gedaante aangebeden moet worden.
De mis is dus in de grond van de zaak niet anders dan een verloochening van het enige offer en lijden van Jezus Christus en een vervloekte afgoderij 5.
1 Matt. 26:28; Luc. 22: 19, 20; Joh. 19: 30; Hebr. 7: 26, 27; Hebr. 9: 12, 25 – 28; Hebr. 10:10, 12, 14. 2 1 Kor. 6:17; 1 Kor. 10:16, 17. 3 Joh. 20:17; Kol. 3: 1; Hebr. 1:3; Hebr. 8:1, 2. 4 Hand. 7: 55, 56; Filip. 3: 20; Kol. 3: 1; 1Tess. 1: 10. 5 Hebr. 9: 26; Hebr. 10: 12, 14.
Vraag 81: Voor wie is het avondmaal van de Here ingesteld?
Antwoord:
Voor hen die om hun zonden een afkeer van zichzelf hebben en toch vertrouwen dat deze hun om Christus’ wil vergeven zijn, en dat ook de overblijvende zwakheid door zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren hoe langer hoe meer hun geloof te versterken en hun leven te beteren.
Maar de huichelaars en zij die zich niet van harte tot God bekeren, halen door hun eten en drinken een oordeel over zich1.
1 1Kor. 10:19-22; 1Kor. 11: 28-29.
Vraag 82: Mag men ook hen tot dit avondmaal toelaten die zich door hun belijdenis en leven als ongelovigen en goddelozen doen kennen?
Antwoord:
Nee, want op deze wijze wordt Gods verbond ontheiligd en zijn toorn over de gehele gemeente opgewekt1.
Daarom is de christelijke kerk verplicht volgens het bevel van Christus en van zijn apostelen allen die zich als ongelovigen en goddelozen doen kennen, door de sleutels van het koninkrijk der hemelen buiten te sluiten, totdat zij hun leven beteren.
1 Ps. 50:16; Jes. 1:11-15; Jes. 66: 3; Jer. 7: 21-23; 1 Kor. 11:20, 34.
DE SLEUTELS VAN HET KONINGRIJK DER HEMELEN
Zondag 31
Vraag 83: Wat zijn de sleutels van het koninkrijk der hemelen?
Antwoord:
De verkondiging van het heilig evangelie en de kerkelijke tucht.
Door beide wordt het koninkrijk der hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten1.
1 Mat. 16: 18-19; Mat. 18: 15-18.
Vraag 84: Hoe wordt het koninkrijk der hemelen door de verkondiging van het heilig evangelie geopend en gesloten?
Antwoord:
Volgens het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen samen en ieder persoonlijk, verkondigd en in het openbaar verklaard, dat al hun zonden hun door God om de verdienste van Christus werkelijk vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen.
Maar aan alle ongelovigen en huichelaars wordt verkondigd en verklaard, dat de toorn van God en het eeuwig oordeel op hen rusten, zolang zij zich niet bekeren1.
Naar dit getuigenis van het evangelie zal God oordelen, zowel in dit als in het toekomstige leven.
1 Mat. 16:19; Joh. 20:21-23.
Vraag 85: Hoe wordt het koninkrijk der hemelen gesloten en geopend door de kerkelijke tucht?
Antwoord:
Volgens het bevel van Christus worden zij die onder de naam van christen zich in leer of leven onchristelijk gedragen, eerst bij herhaling broederlijk vermaand.
Wanneer zij toch in hun dwalingen of schandelijk leven volharden, worden zij aangeklaagd bij de gemeente of bij hen die door de gemeente daarvoor aangewezen zijn.
Wanneer zij zich ook aan hun vermaning niet storen, worden zij niet langer tot de sacramenten toegelaten en zo uit de christelijke gemeente en door God zelf buiten het rijk van Christus gesloten.
Zij worden weer als leden van Christus en van zijn gemeente aangenomen, wanneer zij werkelijk beterschap beloven en bewijzen1.
1 Matt. 18:15-18; 1 Kor. 5:3-5, 11; 2 Kor. 2: 6-8; 2 Tess. 3:14, 15; 1 Tim. 5: 17; 2 Joh. 1: 10, 11
HET DERDE DEEL
Onze Dankbaarheid
Zondag 32
Vraag 86: Nu wij uit onze ellende, zonder enige verdienste van onze kant, alleen uit genade door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Antwoord:
Omdat Christus ons niet alleen met zijn bloed gekocht en vrijgemaakt heeft, maar ons ook door zijn Heilige Geest vernieuwt tot zijn beeld, opdat wij met ons hele leven tonen, dat wij God dankbaar zijn voor zijn weldaden1 en opdat Hij door ons geprezen wordt2.
Vervolgens om zelf uit de vruchten zeker te zijn van ons geloof3 en om door onze godvrezende levenswandel ook onze naasten voor Christus te winnen4.
1 Rom. 6:13; Rom. 12:1, 2; 1 Kor. 6 : 20; 1 Petr. 2:5, 9. 2 Matt. 5:16; 1 Petr. 2: 12. 3 Matt. 7:17, 18; Gal. 5: 6, 22; 2 Petr. 1:10. 4 Matt. 5:16; Rom. 14:18, 19; 1 Petr. 3:1, 2.
Vraag 87: Kunnen zij dan behouden worden, die in hun goddeloos en ondankbaar leven voortgaan en zich niet tot God bekeren?
Antwoord:
Beslist niet, want de Schrift zegt dat een onkuise, afgodendienaar, echtbreker, dief, gierigaard, dronkaard, lasteraar, oplichter, of een dergelijke zondaar, het koninkrijk van God niet beërven zal1.
1 1Kor. 6:9-10; Ef. 5:5-6; 1Joh. 3:14-15.
Zondag 33
Vraag 88: Waarin bestaat de ware bekering van de mens?
Antwoord:
In het afsterven van de oude en het opstaan van de nieuwe mens1.
1 Rom. 6: 4-6; 1 Kor. 5:7; 2 Kor. 7: 10; Ef. 4:22-24; Kol. 3:5-10.
Vraag 89: Wat is het afsterven van de oude mens?
Antwoord:
Oprechte droefheid, dat wij God door onze zonden vertoornd hebben. En ook dat wij deze zonden hoe langer hoe meer haten en ontvluchten1.
1 Joël 2:13; Rom. 8:13.
Vraag 90: Wat is het opstaan van de nieuwe mens?
Antwoord:
Hartelijke vreugde in God door Christus1 en lust en liefde om naar de wil van God in alle goede werken te leven2.
1 Jes. 57:15; Rom. 5:1, 2; Rom. 14:17. 2 Rom. 6:10, 11; Gal. 2: 19, 20.
Vraag 91: Maar wat zijn goede werken?
Antwoord:
Alleen die uit waar geloof1, naar de wet van God2 en tot zijn eer3 gedaan worden, maar niet die op onze eigen mening of op geboden van mensen gegrond zijn4.
1 Rom.14:23. 2Lev. 18:4; 1 Sam. 15:22; Ef. 2:10. 3 1 Kor. 10:31. 4 Jes. 29:13, 14; Ezech. 20:18, 19; Matt. 15:7-9.
DE WET DES HEEREN
Zondag 34
Vraag 92: Hoe luidt de wet van de HERE?
Antwoord:
God sprak al deze woorden, (Exodus 20: 2-17, Deuteronomium 5: 6-21)
Ik ben de HERE uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb.
Eerste gebod:
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.
Tweede gebod:
Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid van de vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten, en die barmhartigheid doe aan duizenden van hen die Mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.
Derde gebod:
Gij zult de naam van de HERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HERE zal niet onschuldig houden wie zijn naam ijdel gebruikt.
Vierde gebod:
Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.
Vijfde gebod:
Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HERE, uw God, u geven zal.
Zesde gebod:
Gij zult niet doodslaan.
Zevende gebod:
Gij zult niet echtbreken.
Achtste gebod:
Gij zult niet stelen.
Negende gebod:
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Tiende gebod:
Gij zult niet begeren het huis van uw naaste; gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.
Vraag 93: Hoe worden deze tien geboden ingedeeld?
Antwoord:
In twee tafelen1.
Het eerste leert hoe wij ons tegenover God moeten gedragen;
De tweede wat wij aan onze naaste verplicht zijn2.
1 Ex. 31: 18; Deut. 4: 13; Deut. 10: 3, 4. 2 Matt. 22: 37-40.
Vraag 94: Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Antwoord:
Ten eerste dat ik, als mijn heil mij lief is, alle afgoderij1, tovenarij, waarzeggerij, bijgeloof2, aanroeping van de heiligen of van andere schepselen3 vermijd en ontvlucht.
Ten tweede dat ik de enige ware God naar waarheid leer kennen4, Hem alleen vertrouw5, met alle ootmoed6 en geduld mij aan Hem alleen onderwerp7, al het goede van Hem alleen verwacht8, Hem met heel mijn hart liefheb9, vrees10 en eer11, en wel zo, dat ik eerder alle schepselen prijsgeef, dan dat ik het minste of geringste tegen zijn wil zou doen12.
11 Kor. 6:10; 1Kor.10:7, 14; 1 Joh. 5:21. 2 Lev. 19:31; Deut. 18:9-12. 3Matt. 4:10; Openb. 19:10; Openb.22:8, 9. 4Joh.17:3. 5 Jer. 17:5, 7. 6 1 Petr. 5:5. 7 Rom. 5:3-5; 1Kor.10:10 Filip. 2:14; Kol. 1:11; Hebr. 10:36. 8 Ps. 104:27-30; Jes. 45:7; Jak. 1:17. 9 Deut. 6:5; Matt. 22:37, 38. 10 Deut. 6:2; Ps. 111:10; Spr. 1:7; Spr. 9:10; Matt. 10:28. 11Deut. 10: 20; Matt. 4:10. 12Matt. 5:29, 30; Matt. 10:37-39; Hand. 5:29.
Vraag 95: Wat is afgoderij?
Antwoord:
Afgoderij is in plaats van de enige ware God, die Zich in zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem iets anders verzinnen of hebben, waarop de mens zijn vertrouwen stelt1.
11Kron. 16:26; Jes. 44: 6,17; Joh.5: 23; Gal.4:8; Ef.2: 12; Ef.5:5; Filip.3:19; 1Joh. 2: 23; 2 Joh. 1: 9.
Zondag 35
Vraag 96: Wat eist God in het tweede gebod?
Antwoord:
Dat wij God op geen enkele manier afbeelden1 en Hem op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft2.
1 Deut. 4:15, 16; Jes.40: 18,19,25; Hand. 17:29; Rom. 1:23-25. 2 Deut. 12:30-32; 1 Sam. 15: 23; Matt. 15:9.
Vraag 97: Mag men dan helemaal geen beelden maken?
Antwoord:
God kan en mag op geen enkele manier afgebeeld worden. De schepselen mogen wel afgebeeld worden, maar God verbiedt dat wij een afbeelding van hen maken of hebben om die te vereren of God daardoor te dienen1.
1 Ex. 34:13, 14, 17; Deut. 12: 3, 4; Deut. 16: 22; 2 Kon. 18:4; Jes. 40:25.
Vraag 98: Maar zou men de beelden als ‘boeken der leken’ in de kerken mogen toelaten?
Antwoord:
Nee, want wij moeten niet wijzer zijn dan God, die zijn christenen niet door stomme beelden1, maar door de levende verkondiging van zijn Woord wil laten onderwijzen2.
1 Jer. 10:5, 8; Hab. 2:18, 19. 2 Rom. 10:14-17; 2 Tim. 3:16, 17; 2 Petr. 1:19.
Zondag 36
Vraag 99: Wat eist God in het derde gebod?
Antwoord:
Dat wij Gods naam niet lasteren of misbruiken door vloeken1 of door een valse eed2 en evenmin door onnodig zweren3.
Verder dat wij ons ook niet door zwijgen of toelaten aan zulke gruwelijke zonden mee schuldig maken4.
Kortom, dat wij de heilige naam van God alleen met ontzag en eerbied gebruiken5, zodat Hij door ons naar waarheid beleden6 en aangeroepen7 en in al onze woorden en werken geprezen wordt8.
1 Lev. 24:15, 16. 2 Lev. 9:12. 3 Matt. 5:37; Jak. 5:12. 4 Lev. 5:1; Spr. 29:24. 5 Jes. 45:23; Jer. 4:2. 6 Matt. 10:32; Rom. 10:9, 10. 7 Ps. 50: 15; 1Tim. 2:8. 8 Rom. 2:24; Kol. 3:17; 1 Tim. 6:1.
Vraag 100: Is het lasteren van Gods naam door zweren en vloeken dan zo’n grote zonde, dat God ok toornt tegen hen die het vloeken en zweren niet zoveel mogelijk helpen tegengaan en verbieden?
Antwoord:
Ja zeker, want geen zonde is groter en wekt Gods toorn meer op dan het lasteren van zijn naam. Daarom heeft Hij op deze zonde de doodstraf gesteld1.
Zondag 37
Vraag 101: Maar kan men ook godvrezend bij de naam van God zweren?
Antwoord:
Ja, wanneer de overheid het van haar onderdanen eist of in geval van nood, om daardoor trouw en waarheid te bekrachtigen, en dat tot eer van God en tot heil van de naaste.
Want zo’n eed is op Gods Woord gegrond1 en werd daarom door de heiligen in het oude en nieuwe verbond terecht gebruikt2.
1Deut. 6:13; Deut.10:20; Hebr.6:16. 2Gen. 21:24; Gen.31:53; 1Sam.24:22, 23; 1Kon.1:29,30; Rom.1:9; Rom. 9: 1; 2 Kor. 1:23.
Vraag 102: Mag men ook bij de heiligen of andere schepselen zweren?
Antwoord:
Nee, want rechtmatig zweren is God aanroepen, of Hij, die als enige het hart kent, voor de waarheid wil getuigen en mij wil straffen, indien ik vals zweer1. Deze eer komt aan geen schepsel toe2.
1 Rom. 9:1; 2 Kor. 1:23. 2 Matt. 5:34-36; Jak. 5:12.
Zondag 38
Vraag 103: Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Antwoord:
Ten eerste dat gezorgd wordt voor het in stand houden van de dienst des Woords en van de scholen1, en dat ik vooral op de sabbat, dat is op de rustdag, trouw tot Gods gemeente zal komen2 om Gods Woord te horen3, de sacramenten te gebruiken4, God de Here publiek aan te roepen5 en de armen christelijke barmhartigheid te bewijzen6.
Ten tweede dat ik al de dagen van mijn leven mijn slechte werken nalaat, de Here door zijn Geest in mij laat werken, en zo de eeuwige sabbat in dit leven begin7.
11Kor. 9: 13, 14; 1Tim. 3: 15; 2 Tim. 2: 2; 2Tim 3: 14, 15; Tit.1:5. 2 Lev.23:3; Ps.40:10,11; Ps. 122: 1; Hand. 2:42, 46. 3 1 Kor. 14: 1, 3; 1Tim. 4: 13; Openb. 1: 3. 4Hand. 20: 7; 1Kor. 11:23. 5 1 Kor.14: 16; 1 Tim. 2:1-4. 6Deut. 15: 11; 1 Kor. 16: 1,2; 1 Tim. 5: 16. 7 Hebr. 4:9, 10.
Zondag 39
Vraag 104: Wat eist God in het vijfde gebod?
Antwoord:
Dat ik aan mijn vader en moeder en aan allen die gezag over mij ontvangen hebben, alle eer, liefde en trouw bewijs, mij aan hun goede onderwijzing en tucht met gepaste gehoorzaamheid onderwerp1 en ook met hun zwakheid en gebreken geduld heb2, omdat God ons door hun hand wil regeren3.
1 Ex. 21:17; Spr. :8; Spr.4:1; Rom.13:1; Ef.5:22; Ef. 6:1,2,5; Kol.3:18, 20, 22. 2 Spr. 23: 22; 1 Petr. 2:18. 3 Matt. 22:21; Rom. 13: 2, 4; Ef. 6: 4; Kol. 3: 20.
Zondag 40
Vraag 105: Wat eist God in het zesde gebod?
Antwoord:
Dat ik mijn naaste niet van zijn eer beroof, niet haat, kwets of dood1. Dit mag ik niet doen met gedachten, woorden of gebaren en nog veel minder met de daad, ook niet door middel van anderen, maar ik moet juist alle wraakzucht afleggen2.
Ook mag ik mijzelf geen letsel toebrengen, evenmin mag ik mijzelf moedwillig in gevaar begeven3.
De overheid draagt dan ook het zwaard om de doodslag te weren4.
1 Gen. 9:6; Matt. 5:21, 22; Matt. 26:52. 2 Matt. 5: 25; Matt. 18:35; Rom. 12:19; Ef. 4:26. 3 Matt. 4:7; Kol. 2: 23. 4 Gen. 9:6; Ex. 21:14; Rom. 13:4.
Vraag 106: Het gaat dus in dit gebod niet alleen om doodslag?
Antwoord:
Nee. Door de doodslag te verbieden leert God ons ook dat Hij afgunst1, haat2, toorn3 en wraakzucht als de wortel van deze zonde haat en dat dit alles voor Hem doodslag is4.
1 Ps. 37: 8; Spr. 14: 30; Rom. 1: 29. 2 1 Joh. 2: 9-11. 3 Jak. 1: 20; Gal. 5: 19-21. 4 1 Joh. 3: 15.
Vraag 107: Maar is het genoeg dat wij onze naaste, zoals gezegd, niet doden?
Antwoord:
Nee, want terwijl God afgunst, haat en toorn verbiedt, gebiedt Hij dat wij onze naaste liefhebben als onszelf1, jegens hem geduldig, vredelievend, zachtmoedig, barmhartig en vriendelijk zijn2, zijn schade zoveel mogelijk voorkomen3 en dat wij ook onze vijanden goed doen4.
1 Matt. 7:12; Matt. 22:39; Rom. 12:10. 2 Matt. 5:5, 7; Luc. 6:36; Rom. 12:18; Gal. 6:1, 2; Ef. 4: 1-3; Kol. 3:12; 1 Petr. 3:8. 3 Ex. 23: 5. 4 Matt. 5:44, 45; Rom. 12:20, 21.
Zondag 41
Vraag 108: Wat leert ons het zevende gebod?
Antwoord:
Dat alle onkuisheid door God vervloekt is1.
Daarom moeten wij die hartgrondig haten en rein en ingetogen leven2, zowel in het heilig huwelijk als daarbuiten3.
1 Lev. 18: 27-29. 2 1 Tess. 4: 3-5. 3 Mal. 2: 16; Matt. 19: 9; 1 Kor. 7: 10, 11; Hebr. 13: 4.
Vraag 109: Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreuk?
Antwoord:
Omdat zowel ons lichaam als onze ziel een tempel van de Heilige Geest is, wil God dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren1.
Daarom verbiedt Hij alle onreine daden, gebaren, woorden2, gedachten, begeerten3 en wat de mens daartoe verleiden kan4.
1 1 Kor. 6: 18-20. 2 Deut. 22: 20-29; Ef. 5:3, 4. 3 Matt. 5: 27, 28. 4 1Kor. 15: 33; Ef. 5: 18.
Zondag 42
Vraag 110: Wat verbiedt God in het achtste gebod?
Antwoord:
God verbiedt niet alleen het stelen1 en roven2 dat de overheid straft, maar Hij noemt ook diefstal alle boze plannen en kwade praktijken, waardoor wij trachten ons meester te maken van het bezit van onze naaste3.
Dit kan gebeuren door geweld of met schijn van recht zoals bedrog met gewicht, maat, waar en munt4, verder door woeker of door welk middel ook maar dat Hij verboden heeft5.
Ook verbiedt Hij alle hebzucht6, evenals alle misbruik en verkwisting van zijn gaven7.
1 1 Kor. 6: 10. 2 Lev. 19: 13. 3 Luc. 3: 14; 1 Kor. 5: 10. 4 Deut. 25: 13-15; Spr. 11:1; Spr. 16: 11; Ezech. 45: 9-12. 5 Ps. 15: 5; Luc. 6: 35. 6 1 Kor. 6: 10. 7 Spr. 21:20; Spr. 23:20, 21.
Vraag 111: Wat gebiedt God u in dit gebod?
Antwoord:
Dat ik het welzijn van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevorder en zo met hem doe, als ik wil dat men met mij doet1.
Bovendien dat ik mijn arbeid trouw verricht, om ook de behoeftige te kunnen helpen2.
Zondag 43
Vraag 112: Wat eist God in het negende gebod?
Antwoord:
Dat ik tegen niemand een vals getuigenis afleg1, niemands woorden verdraai2en geen kwaadspreker of lasteraar ben3.Dat ik ook niemand lichtvaardig en onverhoord veroordeel of help veroordelen4.
Maar dat ik alle liegen en bedriegen als echt duivelswerk vermijd5, als ik tenminste de zware toorn van God niet op mij laden wil6.
Verder dat ik in rechtszaken en in alle handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd7 en ook de eer en goede naam van mijn naaste zoveel ik kan verdedig en bevorder8.
1 Spr. 19: 5, 9; Spr. 21: 28. 2 Ps. 50: 19, 20. 3 Ps. 15: 3; Rom. 1: 30. 4Matt. 7: 1, 2; Luc. 6: 37. 5 Joh. 8: 44. 6 Spr. 12: 22. Joh. 8:44. 7 1 Kor. 13:6; Ef. 4:25. 8 1 Petr. 4:8.
Zondag 44
Vraag 113: Wat eist God in het tiende gebod?
Antwoord:
Dat zelfs de geringste neiging of gedachte die tegen enig gebod van God ingaat, in ons hart nooit meer mag komen, maar dat wij altijd met heel ons hart alle zonden haten en liefde tot alle gerechtigheid hebben1.
1Rom. 7:7.
Vraag 114: Maar kunnen zij die tot God bekeerd zijn, deze geboden volbrengen?
Antwoord:
Nee, want zelfs de allerheiligsten hebben in dit leven niet meer dan een klein begin van deze gehoorzaamheid1, maar wel zo, dat zij met een ernstig voornemen niet slechts naar sommige, maar naar alle geboden van God beginnen te leven2.
1 Pred. 7:20; Rom. 7:14, 15; 1 Kor. 13:9; 1 Joh. 1:8, 10. 2 Ps. 1: 2; Rom. 7:22; 1 Joh. 2: 3.
Vraag 115: Waarom laat God ons de tien geboden dan zo scherp prediken, als toch niemand ze in dit leven volbrengen kan?
Antwoord:
Ten eerste wil God, dat wij ons leven lang onze zondige aard steeds meer leren kennen1 en daardoor nog meer begeren de vergeving van de zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken2.
Ten tweede dat wij zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest, om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij na dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken3.
1 Ps. 32:5; Rom. 3: 20; 1 Joh. 1: 9. 2 Matt. 5: 6; Rom. 7: 24, 25. 3 1 Kor. 9:24; Filip. 3: 12-14.
HET GEBED
Zondag 45
Vraag 116: Waarom is het gebed voor de christenen noodzakelijk?
Antwoord:
Omdat het gebed het voornaamste is in de dankbaarheid die God van ons eist1; bovendien wil God zijn genade en zijn Heilige Geest alleen geven aan hen die van harte en zonder ophouden Hem daarom bidden en daarvoor danken2.
1 Ps. 50:14-15. 2 Mat. 7: 7-8; Luc. 11: 9-10; 1Tess. 5: 17-18.
Vraag 117: Wat behoort tot een gebed dat God aangenaam is en door Hem verhoord wordt?
Antwoord:
Ten eerste dat wij alleen de enige ware God, die Zich in zijn Woord aan ons geopenbaard heeft1, van harte aanroepen2 om alles wat Hij ons geboden heeft te bidden3.
Ten tweede dat wij onze nood en ellende grondig kennen4 , om ons voor het aangezicht van zijn majesteit te verootmoedigen5.
Ten derde dat wij deze vaste grond hebben6, dat Hij ons gebed, al zijn wij dat niet waard, om Christus’ wil zeker verhoren wil7, zoals Hij ons in zijn Woord belooft heeft8 .
1Joh.4:22-24; Opb.19:10. 2Ps. 145:18-20; Jak. 4:3-8. 3Rom. 8: 26; Jak. 1:5; 1Joh. 5:14. 42Kron. 20:12; Ps. 143: 2. 5 Ps. 2:11; Ps. 51: 19; Jes. 66:2. 6Rom. 8: 15-16; Rom. 10: 14; Jak. 1: 6-8. 7 Dan. 9: 17-19; Joh. 14: 13-14; Joh. 15: 16; Joh. 16: 23. 8 Ps. 27: 8; Ps. 143: 1; Mat. 7: 8.
Vraag 118: Wat heeft God ons bevolen in ons gebed van Hem te vragen?
Antwoord:
Alles wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben1, zoals de Here Christus dat samenvatte in het gebed dat Hij zelf ons geleerd heeft.
1 Mat. 6:33; Jak. 1:17.
Vraag 119: Hoe luidt dat gebed?
Antwoord:
Onze Vader, die in de hemelen zijt,
uw naam worde geheiligd;
uw koninkrijk kome;
uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood;
en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren;
en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Amen.
Zondag 46
Vraag 120: Waarom heeft Christus ons geboden God aan te spreken als: Onze Vader?
Antwoord:
Christus wil reeds bij het begin van ons gebed in ons het kinderlijk ontzag en vertrouwen jegens God wekken, waarop ons gebed gegrond moet zijn.
God is immers door Christus onze Vader geworden en Hij zal ons nog veel minder onthouden wat wij met waar geloof van Hem vragen, dan onze vaders ons aardse dingen weigeren1.
1 Mat. 7:9-11; Luc. 11:11-13.
Vraag 121: Waarom wordt hieraan toegevoegd: die in de hemelen zijt?
Antwoord:
Daarmee leert Christus ons over de hemelse majesteit van God niet aards te denken 1, en van zijn almacht alles te verwachten wat wij voor lichaam en ziel nodig hebben 2.
1 Jer. 23:23-24; Hand. 17:24-27. 2 Rom. 10: 12.
Zondag 47
Vraag 122: Wat is de eerst bede?
Antwoord:
Uw naam worde geheiligd.
Dat wil zeggen:
Geef ons eerst dat wij U naar waarheid kennen1 en U heiligen, roemen en prijzen in al uw werken2, waarin uw almacht, wijsheid, goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid glansrijk stralen.
Geef ons ook dat wij ons hele leven – onze gedachten, woorden en werken – daarop richten, dat uw naam om ons niet gelasterd, maar geëerd en geprezen wordt3.
1 Ps. 119: 105; Jer. 9:24; Jer. 31:33-34; Mat. 16: 17; Joh. 17: 3; Jak. 1: 5. 2Ex. 34: 6-7; Ps. 119: 137-138; Ps. 145: 8-9; Jer. 31:3; Jer. 32:18-19; Mat. 19:17; Luc. 1: 46-55; Luc. 1: 68-69; Rom.3:3-4; Rom. 11: 22-23; Rom. 11: 33. 3 Ps. 71: 8; Ps. 115: 1; Mat. 5:16.
Zondag 48
Vraag 123: Wat is de tweede bede?
Antwoord:
Uw koninkrijk kome.
Dat wil zeggen:
Regeer ons zo door uw Woord en Geest, dat wij ons steeds meer aan U onderwerpen1;
bewaar en vermeerder uw kerk2;
verbreek de werken van de duivel en alle macht die tegen U opstaat; verijdel ook alle boze plannen die tegen uw heilig Woord bedacht worden3;
totdat de volmaaktheid van uw rijk komt4, waarin U alles zult zijn in allen5.
1 Ps. 119:5; Ps. 143: 10; Mat. 6:33. 2 Ps. 51:20; Ps. 22:6-7. 3 Rom. 16:20; 1Joh. 3:8. 4 Rom. 8:22-23; Opb. 22: 17-20. 5 1Kor. 15: 28.
Zondag 49
Vraag 124: Wat is de derde bede?
Antwoord:
Uw wil geschiede, gelijk in de hemel alzo ook op de aarde.
Dat wil zeggen:
Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verloochenen1 en uw wil, die alleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn2, zodat een ieder zijn taak waartoe hij geroepen is, even gewillig en trouw vervult3 als de engelen in de hemel doen4.
1 Mat. 16: 24; Tit. 2:11-12. 2 Luc. 22: 42; Rom. 12: 2; Ef. 5: 10. 3 1Kor. 7: 22-24. 4 Ps. 103: 20-21.
Zondag 50
Vraag 125: Wat is de vierde bede?
Antwoord:
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Dat wil zeggen:
Wil ons zó verzorgen met alles wat wij voor ons lichaam nodig hebben1, dat wij daardoor erkennen dat U de enige oorsprong van al het goede bent2 en dat onze zorg en inspanning en ook uw gaven ons niet baten zonder uw zegen3.
Leer ons daardoor ook ons vertrouwen niet langer op enig schepsel, maar op U alleen te stellen4.
1Ps. 104: 27-28; Ps. 145:15-16; Mat.6:25-26. 2 Hand. 14:17; Hand. 17: 27-28; Jak. 1:17. 3 Deut. 8:3; Ps. 37: 3-17; Ps. 127:1-2; 1Kor. 15:58. 4Ps. 55:23; Ps. 62: 11; Ps. 146: 3; Jer. 17: 5-7.
Zondag 51
Vraag 126: Wat is de vijfde bede?
Antwoord:
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.
Dat wil zeggen:
Wil ons, arme zondaren, om het bloed van Christus geen van onze misdaden toerekenen en ook niet de slechtheid die altijd nog in ons is1, zoals wijzelf ook als een bewijs van uw genade in ons opmerken, dat wij het vaste voornemen hebben onze naaste van harte te vergeven2.
1 Ps. 51: 3; Ps. 143:2; Rom. 8:1; 1Joh. 2: 1. 2 Mat. 6:14-15.
Zondag 52
Vraag 127: Wat is de zesde bede?
Antwoord:
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Dat wil zeggen:
Wij zijn van onszelf zó zwak, dat wij zelfs geen ogenblik kunnen standhouden 1, en bovendien houden onze doodsvijanden – de duivel2, de wereld 3 en ons eigen vlees4 – niet op ons aan te vechten.
Daarom bidden wij U: wil ons toch staande houden en sterken door de kracht van uw Heilige Geest, zodat wij in deze geestelijke strijd niet het onderspit delven5, maar altijd krachtig tegenstand bieden, totdat wij uiteindelijk de volkomen overwinning behalen6.
1Ps. 103:14-16; Joh.15: 5. 2Ef. 6:12; 1Pet. 5:8. 3Joh.15:19.4Rom.7:23; Gal.5:17. 5Mat.26:41; Mar. 13:33; 1Kor. 10: 12-13. 6 1Tess. 3:13; 1Tess. 5:23.
Vraag 128: Waarmee beëindigt u uw gebed?
Antwoord:
Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Dat wil zeggen:
Dit alles vragen wij van U, omdat U ons al het goede wilt en kunt geven, want U bent onze Koning en hebt alle dingen in uw macht1.
Wij bidden U dit, opdat daardoor niet aan ons maar aan uw heilige naam eeuwig lof wordt toegebracht2.
1 1Kron. 29: 10-12; Rom. 10: 11-13; 2Pet. 2:9. 2 Ps. 115:1; Jer. 33:8-9; Joh. 14: 13.
Vraag 129: Wat betekent het woord: Amen?
Antwoord:
Amen wil zeggen: Het is waar en zeker.
Want God heeft mijn gebed veel stelliger verhoord, dan ik in mijn hart voel dat ik dit van Hem begeer1.
1 2Kor. 1:20; 2Tim. 2:13.
Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis (NGB), opgesteld o.a. door Guido de Bres (1522-1567), is in 1561 in het Frans uitgegeven in wat nu het noorden van Frankrijk is. Ze moest dienen als verantwoording voor de Reformatie tegenover de Spaanse overheid. Van het begin af heeft ze ook gediend als verwoording van het gemeenschappelijk geloof van de Nederlandse Gereformeerden.
Inhoudsopgave van de NGB
- Artikel 1 –De enige God
- Artikel 2 –Hoe wij God kennen
- Artikel 3 –Het Woord van God
- Artikel 4 –De canonieke boeken
- Artikel 5 –Het gezag van de Heilige Schrift
- Artikel 6 –Het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken
- Artikel 7 –De volkomenheid van de Heilige Schrift
- Artikel 8 –De Heilige Drie-eenheid
- Artikel 9 –Het getuigenis van de Schrift voor deze leer
- Artikel 10 –De godheid van Jezus Christus
- Artikel 11 –De godheid van de Heilige Geest
- Artikel 12 –De schepping van de wereld; de engelen
- Artikel 13 –Gods voorzienigheid
- Artikel 14 –De schepping van de mens; zijn val en zijn verdorvenheid
- Artikel 15 –De erfzonde
- Artikel 16 –De eeuwige uitverkiezing door God
- Artikel 17 –De belofte van de Verlosser
- Artikel 18 –De menswording van Gods Zoon
- Artikel 19 –De twee naturen van Christus
- Artikel 20 –Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid in Christus
- Artikel 21 –De voldoening door Christus
- Artikel 22 –De rechtvaardiging door het geloof in Christus
- Artikel 23 –Onze gerechtigheid voor God in Christus
- Artikel 24 –De heiliging
- Artikel 25 –Christus de vervulling van de wet
- Artikel 26 –Christus onze enige Voorspraak
- Artikel 27 –De katholieke of algemene kerk
- Artikel 28 –De roeping zich bij de kerk te voegen
- Artikel 29 –De kenmerken van de ware kerk, van haar leden en van de valse kerk
- Artikel 30 –De regering van de kerk
- Artikel 31 –De ambten in de kerk
- Artikel 32 –De orde en de tucht in de kerk
- Artikel 33 –De sacramenten
- Artikel 34 –De heilige doop
- Artikel 35 –Het heilig avondmaal
- Artikel 36 –De taak van de overheid
- Artikel 37 –Het laatste oordeel
- Het verzoekschrift, het begeleidend schrijven aan Philips II
De inhoud van de NGB
Artikel 1 – De enige God
Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond1, dat er één God is2, een geheel enig en éénvoudig geestelijk wezen3. Hij is eeuwig4, niet te doorgronden5, onzienlijk6, onveranderlijk7, oneindig8, almach-tig9. Hij is volkomen wijs10, rechtvaardig11en goed12, en een zeer overvloedige bron van al het goede7.
1Rom. 10:10.2Deu. 6:4; 1Kor. 8:4, 6; 1Tim. 2:5.3Joh. 4:24.4Ps. 90:2.5Rom. 11:33.6Kol. 1:15; 1Tim. 6:16.7Jak. 1:17. 8 1Kon. 8:27; Jer. 23:24.9Gen. 17:1; Mat. 19:26; Opb. 1:8.10Rom. 16:27.11Rom. 3:25, 26; Rom. 9:14; Opb. 16:5, 7.12Mat. 19:17. Zie voorts Jes. 40, 44 en 46.
Artikel 2 – Hoe wij God kennen
Wij kennen Hem door twee middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld. Want deze is voor onze ogen als een prachtig boek1, waarin alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden, namelijkzijn eeuwige kracht en goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Romeinen 1:20. Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke verontschuldiging te ontnemen.
Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door zijn heilig en goddelijk Woord2, namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen.
1Ps. 19:2-5.2Ps. 19:8, 9; 1Kor. 1:18-21.
Artikel 3 – Het Woord van God
Wij belijden dat dit Woord van Godniet is voortgekomen uit de wil van een mens, maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt (2Petr. 1:21).
Daarna heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten, de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen1, en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven2. Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften3.
1Ex. 34:27; Ps. 102:19; Opb. 1:11, 19.2Ex. 31:18.32Tim. 3:16.
Artikel 4 – De canonieke boeken
Wij onderscheiden in de Heilige Schrift twee delen: het Oude en het Nieuwe Testament. Dit zijn canonieke boeken, waartegen niets valt in te brengen.
Hiertoe worden in Gods kerk gerekend: de boeken van het Oude Testament: de vijf boeken van Mozes, namelijk Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium; het boek van Jozua, der Richteren, Ruth, 1 en 2 Samuel, 1 en 2 Koningen, 1 en 2 Kronieken, Ezra, Nehemia, Ester, Job, de Psalmen van David, de drie boeken van Salomo, namelijk Spreuken, Prediker en Hooglied; de vier grote profeten: Jesaja, Jeremia (met de Klaagliederen), Ezechiël en Daniël; vervolgens de twaalf kleine profeten: Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia en Maleachi.
De boeken van het Nieuwe Testament: de vier evangelisten Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes; de Handelingen der Apostelen; de dertien brieven van de apostel Paulus, namelijk aan de Romeinen, twee aan de Korintiërs, twee aan de Tessalonicenzen, twee aan Timoteüs, aan Titus, aan Filemon; de brief aan de Hebreeën; de zeven overige brieven, namelijk de brief van Jakobus, twee brieven van Petrus, drie van Johannes, de brief van Judas; de Openbaring van de apostel Johannes.
Artikel 5 – Het gezag van de Heilige Schrift
Wij ontvangen1al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen2. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten.
Dat doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent, maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn3. Het bewijs daarvan ligt bovendien in de boeken zelf. Want zelfs blinden kunnen tasten dat de dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren4.
11Tes. 2:13.22Tim. 3:16, 17.31Kor. 12:3; 1Joh. 4:6; 1Joh. 5:6b.4Deut. 18:21, 22; 1Kon. 22:28;Jer. 28:9; Ezech. 33:33.
Artikel 6 – Het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken
Wij onderscheiden deze heilige boeken van de apocriefe, namelijk het derde en vierde boek van Ezra, het boek Tobias, Judit, het boek Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, de Toevoegingen aan het boek Ester, het Gebed van de drie mannen in het vuur, de Geschiedenis van Susanna, van Bel en de draak, het Gebed van Manasse en de twee boeken van de Makkabeeën.
De kerk mag deze boeken wel lezen en ervan leren, voor zover zij overeenstemmen met de canonieke boeken. Zij hebben echter niet zo’n kracht en gezag, dat men door het getuigenis van deze boeken enig punt van het geloof of van de christelijke godsdienst zou kunnen bevestigen; laat staan dat zij het gezag van de andere, de heilige boeken, zouden kunnen verminderen.
Artikel 7 – De volkomenheid van de Heilige Schrift
Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden1. Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen. Daarom is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift2;zelfs niet een engel uit de hemel, zoals de apostel Paulus zegt (Gal. 1:8).Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen3(Deut. 12:32). Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt, volmaakt en in alle opzichten volledig is4.
Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig de schrijvers ook geweest zijn, op één lijn stellen met de goddelijke Schriften, ook de gewoonte niet met Gods waarheid – want de waarheid gaat boven alles -; evenmin het grote aantal, de ouderdom, de ononderbroken voortgang in de tijden of de opvolging van personen, of de concilies, decreten of besluiten5. Wantalle mensen zijnuit zichzelfleugenaars(Ps. 116:11) en ijdeler dan de ijdelheid zelf.
Daarom verwerpen wij uit de grond van ons hart alles wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt6. Zo hebben de apostelen het ons geleerd:Beproeft de geesten of zij uit God zijn(1Joh. 4:1). En:Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis(2Joh. :10).
12Tim. 3:16, 17; 1Pet. 1:10-12.21Kor. 15:2; 1Tim. 1:3.3Deut. 4:2; Spr. 30:6; Hand. 26:22; 1Kor. 4:6; Opb. 22:18, 19.4Ps. 19:8; Joh. 15:15; Hand. 18:28; Hand. 20:27; Rom. 15:4.5Mar. 7:7-9; Hand. 4:19; Kol. 2:8; 1Joh. 2:19.6Deut. 4:5, 6; Jes. 8:20; 1Kor. 3:11; Ef. 4:4-6; 2Tes. 2:2; 2Tim. 3:14, 15.
Artikel 8 – De Heilige Drieëenheid
Volgens deze waarheid en dit Woord van God geloven wij in één God1, die een geheel enig wezen is, waarin drie Personen zijn, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest2. Deze zijn werkelijk en van eeuwigheid onderscheiden naar hun onmededeelbare eigenschappen.
De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen3. De Zoon is het Woord, de wijsheid en het beeld van de Vader4. De Heilige Geest is de eeuwige kracht en macht, die uitgaat van de Vader en van de Zoon5.
Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën gedeeld is. Want de Heilige Schrift leert ons dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wel ieder hun eigen zelfstandigheid hebben, onderscheiden door haar eigenschappen, maar toch zo, dat deze drie Personen slechts één God zijn. Het is dus duidelijk dat de Vader niet de Zoon is en dat de Zoon niet de Vader is; dat eveneens de Heilige Geest niet de Vader of de Zoon is.
Toch zijn deze Personen, aldus onderscheiden, niet gedeeld of onderling vermengd. Want de Vader heeft ons vlees en bloed niet aangenomen en ook de Heilige Geest niet, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder de Zoon6en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest, want Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie ëën in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid.
11Kor. 8:4-6.2Mat. 3:16, 17; Mat. 28:19.3Ef. 3:14, 15.4Spr. 8:22-31; Joh. 1:14; Joh. 5:17-26; 1Kor. 1:24; Kol. 1:15-20; Hebr. 1:3; Opb. 19:13.5Joh. 15:26.6Micha 5:1; Joh. 1:1, 2.
Artikel 9 – Het getuigenis van de Schrift voor deze leer
Wij weten dit alles zowel uit het getuigenis van de Heilige Schrift1als uit de werkingen van deze Personen, voornamelijk uit die welke wij in onszelf ervaren.
Het getuigenis van de Heilige Schriften dat ons leert deze Heilige Drieëenheid te geloven, is op vele plaatsen in het Oude Testament te vinden. We behoeven ze niet op te sommen, maar dienen slechts een zorgvuldige keus te maken. In Genesis 1:26 en 27 zegt God:Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, enzovoort.En God schiep de mens naar zijn beeld, man en vrouw schiep Hij hen.Eveneens in Genesis 3:22:Zie, de mens is geworden als Onzer ëën.Daaruit blijkt dat er meer dan ëën Persoon in de Godheid is, want Hij zegt:Laat Ons mensen maken naar ons beeld;en Hij wijst daarna de eenheid aan, als Hij zegt:God schiep. Weliswaar zegt Hij niet hoeveel Personen er zijn, maar wat voor ons enigszins duister is in het Oude Testament, dat is zeer helder in het Nieuwe. Want toen onze Heer gedoopt werd in de Jordaan, werd de stem van de Vader gehoord, die zei:Deze is mijn Zoon, de geliefde(Mat. 3:17); terwijl de Zoon werd gezien in het water en de Heilige Geest verscheen in de gedaante van een duif2.
Bovendien heeft Christus voor de doop van alle gelovigen deze formule gegeven:Doopt al de volken in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest(Mat. 28:19). In het Evangelie naar Lucas spreekt de engel Gabriël tot Maria, de moeder van de Heer, aldus:De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige dat verwekt wordt, Zoon van God genoemd worden(Luc. 1:35). Eveneens:De genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u(2Kor. 13:13)*.
Op al deze plaatsen wordt ons duidelijk geleerd dat er drie Personen zijn in ëën enig goddelijk Wezen. En hoewel deze leer het menselijk verstand ver te boven gaat, geloven wij die nu op grond van het Woord en verwachten wij dat wij de volle kennis en vrucht ervan in de hemel zullen genieten.
Verder moeten wij ook letten op het eigen werk dat ieder van deze drie Personen aan ons verricht: de Vader wordt genoemd onze Schepper door zijn kracht; de Zoon is onze Heiland en Verlosser door zijn bloed; de Heilige Geest is onze Heiligmaker, doordat Hij woont in ons hart.
Deze leer van de Heilige Drieëenheid heeft de ware kerk altijd gehandhaafd, van de tijd van de apostelen af tot nu toe, tegenover joden, mohammedanen en valse christenen en ketters als Marcion, Mani, Praxeas, Sabellius, Paulus van Samosata, Arius en dergelijke. De vaderen hebben hen terecht veroordeeld. Daarom aanvaarden wij in dezen graag de drie oecumenische geloofsbelijdenissen, namelijk de Apostolische, die van Nicea en van Athanasius, en eveneens wat de vaderen in overeenstemming daarmee hebben vastgesteld.
1Joh. 14:16; Joh. 15:26; Hand. 2:32, 33; Rom. 8:9; Gal. 4:6; Tit. 3:4-6; 1Petr. 1:2; 1Joh. 4:13, 14; 1Joh. 5:1-12; Judas :20, 21; Opb. 1:4, 5.2Mat. 3:16.
* De Generale Synode van Heemse 1984-1985 verwijderde op deze plaats de volgende woorden: “En: Drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn ëën.” De verwijzing naar 1Joh. 5:7b. is omstreden, omdat deze tekst in de oude handschriften niet wordt gevonden.
Artikel 10 – De godheid van Jezus Christus
Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is1, van eeuwigheid voortgebracht. Hij is niet gemaakt of geschapen – want dan zou Hij een schepsel zijn – maar ëën van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk2. De Schrift noemt Hem:de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen(Heb. 1:3).
Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid3. De volgende getuigenissen leren ons dat, wanneer wij ze met elkaar vergelijken.
Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen4, en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt5. De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft6en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft7. Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden. De profeet Micha zegt dan ook:Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid(Micha 5:1). En de brief aan de Hebreeën:Hij is zonder begin van dagen of einde van leven(Heb. 7:3).
Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige die wij aanroepen, aanbidden en dienen.
1Mat. 17:5; Joh. 1:14, 18; 3:16; 14:1-14; 20:17, 31; Rom. 1:4; Gal. 4:4; Heb. 1:1; 1Joh. 5:5, 9-12.2Joh. 5:18, 23; 10:30; 14:9; 20:28; Rom. 9:5; Fil. 2:6; Kol. 1:15; Tit. 2:13; Heb. 1:3; Opb. 5:13.3Joh. 8:58; 17:5; Heb. 13:8.4Gen. 1:1.5Joh. 1:1-3.6Heb. 1:2.71Kor. 8:6; Kol. 1:16.
Artikel 11 – De godheid van de Heilige Geest
Wij geloven en belijden ook dat de Heilige Geest van eeuwigheid van de Vader en de Zoon uitgaat. Hij is niet gemaakt of geschapen en ook niet voortgebracht; wij kunnen alleen maar zeggen: Hij gaat van beiden uit1.
In orde is Hij de derde Persoon van de Drieëenheid, van ëënzelfde wezen, majesteit en heerlijkheid als de Vader en de Zoon, echt en eeuwig God, zoals de Heilige Schriften ons leren2.
1Joh. 14:15-26; 15:26; Rom. 8:9.2Gen. 1:2; Mat. 28:19; Hand. 5:3, 4; 1Kor. 2:10; 3:16; 6:11;1Joh. 5:6.
Artikel 12 – De schepping van de wereld; de engelen
Wij geloven dat de Vader door zijn Woord – dat is door zijn Zoon – de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goed dacht1. Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen. Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen.
Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijn gezanten te zijn en zijn uitverkorenen te dienen2. Sommigen van die engelen zijn uit die verheven staat waarin God hen geschapen had, in het eeuwige verderf gevallen3, maar door Gods genade hebben anderen volhard en zijn in hun oorspronkelijke staat staande gebleven. De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij vijanden van God en van al het goede zijn4. Uit alle macht loeren zij als moordenaars op de kerk en elk van haar leden, om alles door hun bedriegerijen te vernielen en te verwoesten5. Zij zijn daarom door hun eigen slechtheid veroordeeld tot de eeuwige ondergang en verwachten dagelijks hun verschrikkelijke pijnigingen6.
Wat dit betreft verwerpen en verfoeien wij de dwaling van de Sadduceeën, die loochenen dat er geesten en engelen zijn7. En ook de dwaling van de manicheeërs, die zeggen dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelf hebben en van nature slecht zijn; zij ontkennen dat de duivelen slecht zijn geworden.
1Gen. 1:1; 2:3; Jes. 40:26; Jer. 32:17; Kol. 1:15, 16; 1Tim. 4:3; Heb. 11:3; Opb. 4:11.2Ps. 103:20, 21; Mat. 4:11; Heb. 1:14.3Joh. 8:44; 2Pet. 2:4; Judas :6.4Gen. 3:1-5; 1Pet. 5:8.5Ef. 6:12; Opb. 12:4, 13-17; 20:7-9.6Mat. 8:29; 25:41; Opb. 20:10. 7 Hand. 23:8.
Artikel 13 – Gods voorzienigheid
Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had, ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heeft prijsgegeven1, maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking2. Toch is God niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt, en evenmin draagt Hij er de schuld van3. Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zó te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig4. En al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt. Maar in alle ootmoed en eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons verborgen zijn5. Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door zijn Woord, zonder deze grenzen te overschrijden6.
Deze leer schenkt ons een onuitsprekelijke troost, als wij erdoor leren verstaan dat ons niets bij toeval kan gebeuren, maar dat alles ons alleen overkomt door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader. Hij waakt over ons met een vaderlijke zorg, terwijl Hij zó over alle schepselen heerst, dat niet ëën haar van ons hoofd – wantdie zijn alle geteld–en niet ëën musje ter aarde zal vallen zonder de wil van onze Vader(Mat. 10:29, 30). Hierop stellen wij ons vertrouwen, omdat wij weten dat Hij de duivelen en al onze vijanden in toom houdt en zij ons zonder zijn toelating en wil niet kunnen schaden7. Daarom verwerpen wij de verfoeilijke dwaling van de epicureeërs, die zeggen dat God Zich nergens mee bemoeit en alles aan het toeval overlaat.
1Joh. 5:17; Hebr. 1:3.2Ps. 115:3; Spr. 16:1, 9, 33; 21:1; Ef. 1:11; Jak. 4:13-15.3Jak. 1:13; 1Joh. 2:16.4Job 1:21; Jes. 10:5; 45:7; Amos 3:6; Hand. 2:23; 4:27, 28.51Kon. 22:19-23; Rom. 1:28; 2Tes. 2:11.6Deut. 29:29; 1Kor. 4:6.7Gen. 45:8; 50:20; 2Sam. 16:10; Rom. 8:28, 38, 39.
Artikel 14 – De schepping van de mens; zijn val en zijn verdorvenheid
Wij geloven dat God de mens uit het stof van de aarde geschapen heeft1en hem gemaakt en gevormd heeft naar zijn beeld en gelijkenis: goed, rechtvaardig en heilig2, zodat hij met zijn wil in alles overeen kon stemmen met de wil van God. Maar toen de mens in die eervolle positie verkeerde, heeft hij er geen acht op geslagen en zijn bevoorrechte plaats niet erkend. Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking3. Want het gebod ten leven dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en door zijn zonde heeft hij de gemeenschap met God, die zijn ware leven was, verbroken. Zo heeft hij zijn hele natuur verdorven en daarmee de lichamelijke en geestelijke dood verdiend4. Doordat hij in al zijn doen en laten goddeloos, verkeerd en ontaard is geworden, heeft hij alle voortreffelijke gaven die hij van God had ontvangen, verloren5. Hij heeft daarvan niets overgehouden dan geringe sporen, die niettemin voldoende zijn om de mens iedere verontschuldiging te ontnemen6. Al het licht in ons is immers in duisternis veranderd7, zoals de Schrift ons leert:Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen(Joh. 1:5). Hier noemt te apostel Johannes de mensen duisternis. Daarom verwerpen wij al wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens, omdat de mens slechts een slaaf van de zonde is enniets kan aannemen, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn(Joh. 3:27). Want wie zal zich erop beroemen uit eigen kracht iets goeds te kunnen doen, daar Christus immers zegt:Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt(Joh. 6:44)? Wie zal wijzen op zijn eigen wil, als hij weetdat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God(Rom. 8:7)? Wie zal de moed hebben te spreken over eigen kennis, wanneer hij inzietdat een ongeestelijk mens niet aanvaardt wat van Gods Geest is(1Kor. 2:14)? Kortom, wie zal ook maar ëën eigen denkbeeld naar voren brengen, wanneer hij weetdat wij niet bekwaam zijn iets uit onszelf te denken, maar dat onze bekwaamheid Gods werk is(2Kor. 3:5)?
Daarom hoort het woord van de apostel onwrikbaar vastgehouden te worden,dat het God is die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt(Fil. 2:13). Want geen kennis of wil is in overeenstemming met die van God, als Christus ze niet in de mens tot stand heeft gebracht, zoals Hij ons leert met de woorden:Zonder Mij kunt gij niets doen(Joh. 15:5).
1Gen. 2:7; 3:19; Pred. 12:7.2Gen. 1:26, 27; Ef. 4:24; Kol. 3:10.3Gen. 3:16-19; Rom. 5:12.4Gen. 2:17; Ef. 2:1; 4:18.5Ps. 94:11; Rom. 3:10; 8:6.6Rom. 1:20, 21.7Ef. 5:8.
Artikel 15 – De erfzonde
Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid1. Zij is een verdorvenheid van de hele natuur2en een erfelijk kwaad, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn3. Zij is namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen. Daarom is ze zó gruwelijk en afzichtelijk voor God, dat zij reden genoeg is om het menselijk geslacht te veroordelen4.
Zelfs door de doop is zij niet geheel vernietigd of uitgeroeid, omdat de zonde altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige bron5. Zij wordt evenwel de kinderen van God niet toegerekend om hen te veroordelen, maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven6, niet om de gelovigen zorgeloos in de zonde te laten voortleven, maar om hen door het besef van deze verdorvenheid dikwijls te doen zuchten van verlangen,uit het lichaam, dat in de macht van de dood is, verlost te worden(Rom. 7:24). Op dit punt verwerpen wij de dwaling van de pelagianen, die zeggen dat de zonde slechts uit navolging ontstaat.
1Rom. 5:12-14, 19.2Rom. 3:10.3Job 14:4; Ps. 51:7; Joh. 3:6.4Ef. 2:3.5Rom. 7:18, 19.6Ef. 2:4, 5.
Artikel 16 – De eeuwige uitverkiezing door God
Wij geloven dat God, toen het hele geslacht van Adam door de zonde van de eerste mens in verderf en ondergang was gestort1, bewezen heeft dat Hij barmhartig en rechtvaardig is. Barmhartig, doordat Hij diegenen uit dit verderf trekt en verlost, die Hij in zijn eeuwige en onveranderlijke raad2uit louter genade verkoren heeft3in Jezus Christus, onze Here4, zonder ook maar enigszins hun werken in rekening te brengen5. Rechtvaardig, doordat Hij de anderen laat in hun val en verderf, waarin zij zichzelf gestort hebben6.
1Rom. 3:12.2Joh. 6:37, 44; 10:29; 17:2, 9, 12; 18:9.31Sam. 12:22; Ps. 65:5; Hand. 13:48; Rom. 9:16; 11:5; Tit. 1:1.4Joh. 15:16, 19; Rom. 8:29; Ef. 1:4, 5.5Mal. 1:2, 3; Rom. 9:11-13; 2Tim. 1:9; Tit. 3:4, 5.6Rom. 9:19-22; 1Pet. 2:8.
Artikel 17 – De belofte van de Verlosser
Wij geloven dat onze goede God, toen Hij zag dat de mens zich zo in de lichamelijke en geestelijke dood gestort had en zich volkomen rampzalig gemaakt had, hem in zijn wonderbare wijsheid en goedheid zelf is gaan zoeken, toen hij bevend voor Hem vluchtte1. God heeft hem getroost met de belofte hem zijn Zoon te geven,die geboren zou worden uit een vrouw(Gal. 4:4),om de kop van de slang te vermorzelen(Gen. 3:15) en de mens voor eeuwig gelukkig te maken2.
1Gen. 3:9.2Gen. 22:18; Jes. 7:14; Joh. 1:14; 5:46; 7:42; Hand. 13:32; Rom. 1:2, 3; Gal. 3:16; 2Tim. 2:8; Heb. 7:14.
Artikel 18 – De menswording van Gods Zoon
Wij belijden dus dat God de belofte die Hij aan de vaderen gegeven had bij monde van zijn heilige profeten1, vervuld heeft door zijn eigen, eniggeboren en eeuwige Zoon in de wereld te zenden op de door Hem bepaalde tijd2. Dezeheeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden(Filip. 2:7) door echte menselijke natuur werkelijk aan te nemen met al haar zwakheden3, uitgezonderd de zonde4. Hij is ontvangen in de schoot van de gezegende maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man5. Hij heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een echt menselijke ziel om werkelijk mens te zijn. Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het lichaam, moest Hij ze beide aannemen om beide te redden.
Tegenover de ketterij van de wederdopers, die ontkennen dat Christus van zijn moeder de menselijke natuur aangenomen heeft, belijden wij daaromdat Hij deel gekregen heeft aan het vlees en bloed van Gods kinderen(Hebr. 2:14);dat Hij een vrucht van Davids lendenen is(Hand. 2:30),naar het vlees voortgekomen uit het geslacht van David(Rom. 1:3);vrucht van Maria’s schoot(Luc. 1:42);geboren uit een vrouw(Gal. 4:4);spruit van David(Jer. 33:15);scheut uit de wortel van Isaï(Jes. 11:1);gesproten uit Juda(Hebr. 7:14);wat het vlees betreft afkomstig uit de joden(Rom. 9:5);uit het nageslacht van Abraham6, omdat Hij dat heeft aangenomen en in alle opzichten aan zijn broeders gelijk is geworden met uitzondering van de zonde(Hebr. 2:16, 17; 4:15). Zo is Hij werkelijk onzeImmanuël: God met ons(Matt. 1:23).
1Gen. 26:4; 2Sam. 7:12-16; Ps. 132:11; Luc. 1:55; Hand. 13:23.2Gal. 4:4.31Tim. 2:5; 3:16; Heb. 2:14.42Kor. 5:21; Heb. 7:26; 1Pet. 2:22.5Mat. 1:18; Luc. 1:35.6Gal. 3:16.
Artikel 19 – De twee naturen van Christus
Wij geloven dat de Persoon van de Zoon door deze ontvangenis onafscheidelijk verenigd en verbonden is met de menselijke natuur1. Er zijn dus geen twee zonen van God en geen twee personen, maar twee naturen verenigd in ëën Persoon, waarbij elke natuur haar onderscheiden eigenschappen behoudt. De goddelijke natuur is altijd ongeschapen gebleven,zonder begin van dagen of einde van leven(Hebr. 7:3), en vervult hemel en aarde2. Evenzo heeft de menselijke natuur haar eigenschappen niet verloren, maar is schepsel gebleven, dat wel een begin van dagen heeft, eindig is en alles behoudt wat bij een echt lichaam hoort3. Wel heeft Hij haar door zijn opstanding onsterfelijkheid gegeven, maar Hij heeft de echtheid van zijn menselijke natuur niet veranderd4, omdat ons behoud en onze opstanding mee afhangen van de echtheid van zijn lichaam5.
Deze twee naturen zijn zo in ëën Persoon verenigd, dat zij zelfs door zijn dood niet gescheiden zijn geweest. Bij zijn sterven gaf Hij dus in de handen van zijn Vader een echt menselijke geest, die zijn lichaam verliet6; maar toch bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, zelfs toen Hij in het graf lag7. De godheid hield niet op in Hem te zijn, evenals zij in Hem was toen Hij een klein kind was, hoewel zij zich voor korte tijd niet openbaarde. Daarom belijden wij dat Hij echt God en echt mens is: echt God om door zijn kracht de dood te overwinnen, echt mens om voor ons te kunnen sterven vanwege de zwakheid van zijn vlees.
1Joh. 1:14; 10:30; Rom. 9:5; Fil. 2:6, 7.2Mat. 28:20.31Tim. 2:5.4Mat. 26:11; Luc. 24:39; Joh. 20:25; Hand. 1:3, 11; 3:21; Heb. 2:9.51Kor. 15:21; Fil. 3:21.6Mat. 27:50.7Rom. 1:4.
Artikel 20 – Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid in Christus
Wij geloven dat God, die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, zijn Zoon gezonden heeft om de natuur waarin de ongehoorzaamheid begaan was, aan te nemen1en in haar de schuld te betalen en door zijn zeer bitter lijden en sterven de straf voor de zonden te dragen2. Zo heeft God zijn rechtvaardigheid bewezen jegens zijn Zoon door onze zonden op Hem te laden3. Zijn goedheid en barmhartigheid heeft Hij uitgestort over ons, die schuldig waren en verdienden veroordeeld te worden. Want in volkomen liefde heeft Hij zijn Zoon voor ons in de dood overgegeven en Hem opgewekt tot onze rechtvaardiging4, opdat wij door Hem onsterfelijkheid en eeuwig leven zouden hebben.
1Rom. 8:3.2Heb. 2:14.3Rom. 3:25, 26; 8:32.4Rom. 4:25.
Artikel 21 – De voldoening door Christus
Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwig Hogepriester is naar de orde van Melchisedek, wat God met een eed heeft bevestigd1. Hij heeft Zichzelf in onze plaats voor zijn Vader gesteld, om door volkomen voldoening diens toorn te stillen2. Daartoe heeft Hij Zichzelf aan het kruis geofferd en zijn kostbaar bloed vergoten, om ons te reinigen van onze zonden3, zoals de profeten hadden voorzegd4.
Want er staat geschreven,dat de straf die ons de vrede aanbrengt, op de Zoon van God was en dat wij door zijn striemen genezen zijn5; dat Hij als een lam ter slachting is geleid en onder de overtreders is geteld6(Jes. 53:5, 7, 12); dat Hij als een misdadiger veroordeeld is door Pontius Pilatus, hoewel deze Hem onschuldig verklaard had7.Zo heeft Hij teruggegeven wat Hij niet geroofd had(Ps. 69:5),en heeft Hij als rechtvaardige voor onrechtvaardigen geleden8(1Petr. 3:18), zowel naar lichaam als naar ziel9, zodat Hij de verschrikkelijke straf voelde die wij door onze zonden verdiend hadden,en zijn zweet als bloeddruppels werd, die op de aarde vielen(Luc. 22:44).Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?(Matt. 27:46), en Hij heeft dit alles geleden ter wille van de vergeving van onze zonden. Daarom zeggen wij terecht met Paulus,dat wij niets anders weten dan Jezus Christus en die gekruisigd(1Kor. 2:2);wij beschouwen alles als vuilnis, omdat de kennis van Christus Jezus, onze Heer, alles te boven gaat(Filip. 3:8). Wij vinden al onze troost in zijn wonden en behoeven geen enkel ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen naastdit ene, eens voor altijd gebrachte offer, dat de gelovigen voor eeuwig tot volmaaktheid brengt10(Hebr. 10:14). Daarom noemt Gods engel Hem ook Jezus, dat is Verlosser,omdat Hij zijn volk zou redden van hun zonden11(Matt. 1:21).
1Ps. 110:4; Heb. 7:15-17.2Rom. 4:25; 5:8, 9; 8:32; Gal. 3:13; Kol. 2:14; Heb. 2:9, 17; 9:11-15.3Hand. 2:23; Fil. 2:8; 1Tim. 1:15; Heb. 9:22; 1Pet. 1:18, 19; 1Joh. 1:7; Opb. 7:14.4Luc. 24:25-27; Rom. 3:21; 1Kor. 15:3.51Pet. 2:24.6Mar. 15:28.7Joh. 18:38.8Rom. 5:6.9Ps. 22:16.10Heb. 7:26-28; 9:24-28.11Luc. 1:31; Hand. 4:12.
Artikel 22 – De rechtvaardiging door het geloof in Christus
Wij geloven dat de Heilige Geest, om ons ware kennis van deze grote verborgenheid te doen verwerven, in ons hart waar geloof ontsteekt1, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst, Hem zich toeëgent en niets meer buiten Hem zoekt2. Want ëën van beide: óf in Jezus Christus is niet alles wat voor ons heil nodig is, óf dit alles is wel in Hem en dan heeft hij die Jezus Christus door het geloof bezit, al zijn heil3. Zou men dus beweren dat Christus niet genoeg is, maar dat er naast Hem nog iets anders nodig is, dan is dat een gruwelijke godslastering. Daaruit zou immers volgen dat Christus maar een halve Heiland is.
Daarom zeggen wij terecht met Paulus,dat wij door het geloof alleen, of door het geloof zonder de werken, gerechtvaardigd worden4(Rom. 3:28). Wij vatten dit, nauwkeurig gesproken, niet zo op, dat het geloof zelf ons rechtvaardigt5, want het is slechts een middel waarmee wij Christus, onze gerechtigheid omhelzen. Maar Jezus Christus is onze gerechtigheid, doordat Hij ons toerekent al zijn verdiensten en al zijn heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan6. En het geloof is het middel dat ons met Hem in de gemeenschap van al zijn schatten en gaven verbonden houdt. Als deze ons eigendom zijn geworden, zijn zij meer dan voldoende om ons vrij te spreken van onze zonden.
1Joh. 16:14; 1Kor. 2:12; Ef. 1:17, 18.2Joh. 14:6; Hand. 4:12; Gal. 2:21.3Ps. 32:1; Mat. 1:21; Luc. 1:77; Hand. 13:38, 39; Rom. 8:1.4Rom. 3:19-4:8; 10:4-11; Gal. 2:16; Fil. 3:9; Tit. 3:5.51Kor. 4:7.6Jer. 23:6; Mat. 20:28; Rom. 8:33; 1Kor. 1:30, 31; 2Kor. 5:21; 1Joh. 4:10.
Artikel 23 – Onze gerechtigheid voor God in Christus
Wij geloven dat ons heil gelegen is in de vergeving van onze zonden om Jezus Christus’ wil. Daarin bestaat onze gerechtigheid voor God1. Dat leren David en Paulus ons door te verklaren:Zalig is de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken(Ps. 32:2; Rom. 4:6). En dezelfde apostel zegt,dat wij om niet, anders gezegd,uit genade gerechtvaardigd zijn door de verlossing in Christus Jezus2(Rom. 3:24). Daarom houden wij dit fundament altijd vast. Daarin geven wij alle eer aan God3, terwijl wij onszelf vernederen en belijden wat voor mensen wij zijn, zonder ons ook maar enigszins op onszelf of op onze verdiensten te laten voorstaan4. Wij steunen uitsluitend op de gehoorzaamheid van de gekruisigde Christus en rusten daarin5. En deze gehoorzaamheid is de onze, wanneer wij in Hem geloven6. Zij is voldoende om al onze ongerechtigheden te bedekken. Zij bevrijdt ons geweten van vrees, ontzetting en verschrikking en geeft ons zo vrijmoedigheid om tot God te naderen, zonder te doen als onze eerste vader Adam, die zich bevend met vijgebladeren wilde bedekken7. En werkelijk, als wij voor God moesten verschijnen, terwijl wij, in hoe geringe mate ook, op onszelf of op enig ander schepsel zouden steunen – ach, wij zouden vergaan8! Daarom moet ieder met David zeggen:HERE, ga niet in het gericht met uw knecht, want niemand die leeft, is voor U rechtvaardig(Ps. 143:2).
11Joh. 2:1.22Kor. 5:18, 19; Ef. 2:8; 1Tim. 2:6.3Ps. 115:1; Opb. 7:10-12.41Kor. 4:4; Jak. 2:10.5Hand. 4:12; Heb. 10:20.6Rom. 4:23-25.7Gen. 3:7; Sef. 3:11; Heb. 4:16; 1Joh. 4:17-19.8Luc. 16:15; Fil. 3:4-9.
Artikel 24 – De heiliging
Wij geloven dat dit ware geloof, in de mens verwekt door het horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest1, hem opnieuw geboren doet worden en hem tot een nieuwe mens maakt2. Dit ware geloof doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem uit de slavernij van de zonde3.
Daarom is er geen sprake van dat dit rechtvaardigend geloof de mensen onverschillig zou maken voor een vroom en heilig leven4. Integendeel, zonder dit geloof zullen zij nooit iets doen uit liefde tot God5, maar alleen uit liefde tot zichzelf en uit vrees veroordeeld te worden. Het is dan ook onmogelijk dat dit heilig geloof in de mens niets zou uitwerken. Wij spreken immers niet van een onvruchtbaar geloof, maar van geloof waarvan de Schrift zegt,dat het door de liefde werkt(Gal. 5:6). Het beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft. Als deze werken voortkomen uit de goede wortel van het geloof, zijn ze goed en voor God aangenaam, omdat zij alle door zijn genade geheiligd zijn.
Toch worden zij niet in rekening gebracht, als het gaat om onze rechtvaardiging. Wij worden immers gerechtvaardigd door het geloof in Christus, zelfs vóór wij goede werken doen6. Anders zouden deze werken niet goed kunnen zijn, evenmin als de vrucht van een boom goed kan zijn, voordat de boom goed is7. Wij doen dus goede werken, maar niet om daarmee iets te verdienen. Trouwens, wat zouden wij kunnen verdienen? Wij zijn veeleer aan God dank verschuldigd voor de goede werken die wij doen, en Hij niet aan ons8. WantHij is het die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt(Filip. 2:13). Laten wij dus ter harte nemen wat geschreven staat:Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen: Wij zijn nutteloze slaven; wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen(Luc. 17:10). Toch willen wij niet ontkennen dat God de goede werken beloont9, maar door zijn genade kroont Hij zijn gaven.
En verder, al doen wij goede werken, toch funderen wij daar ons heil niet op. Want wij kunnen geen enkel werk doen of het is besmet doordat wij zondaren zijn, en verdient daarom gestraft te worden10. En al konden we op ëën goed werk wijzen, dan is toch de gedachte aan ëën zonde genoeg om het verwerpelijk te maken voor Gods ogen11. Op deze wijze zouden wij altijd in twijfel leven, heen en weer geslingerd, zonder enige zekerheid, en ons arme geweten zou altijd gekweld worden, indien het niet steunde op de verdienste van het lijden en sterven van onze Heiland12.
1Hand. 16:14; Rom. 10:17; 1Kor. 12:3.2Ezech. 36:26, 27; Joh. 1:12, 13; 3:5; Ef. 2:4-6; Tit. 3:5; 1Pet. 1:23.3Joh. 5:24; 8:36; Rom. 6:4-6; 1Joh. 3:9.4Gal. 5:22; Tit. 2:12.5Joh. 15:5; Rom. 14:23; 1Tim. 1:5; Heb. 11:4, 6.6Rom. 4:5.7Mat. 7:17.81Kor. 1:30, 31; 4:7; Ef. 2:10.9Rom. 2:6, 7; 1Kor. 3:14; 2Joh. :8; Opb. 2:23.10Rom. 7:21.11Jak. 2:10.12Hab. 2:4; Mat. 11:28; Rom. 10:11.
Artikel 25 – Christus de vervulling van de wet
Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen1. Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven. Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zij hun vervulling hebben2.
Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer3.
1Mat. 27:51; Rom. 10:4; Heb. 9:9, 10.2Mat. 5:17; Gal. 3:24; Kol. 2:17.3Rom. 13:8-10; 15:4; 2Petr. 1:19; 3:2.
Artikel 26 – Christus onze enige Voorspraak
Wij geloven dat wij geen toegang hebben tot God dan alleen door de enige Middelaar1en Voorspraak Jezus Christus, de rechtvaardige2. Hiertoe is Hij mens geworden en heeft Hij de goddelijke en menselijke natuur verenigd, om ons mensen toegang te geven tot de goddelijke majesteit3. Anders zou de toegang voor ons gesloten zijn. Maar deze Middelaar, die de Vader ons gegeven heeft tussen Zich en ons, moet ons door zijn verhevenheid niet afschrikken, zodat wij een andere, naar eigen inzicht, zouden gaan zoeken. Want er is niemand onder de schepselen in de hemel of op aarde die ons meer liefheeft dan Jezus Christus4,die hoewel Hij in de gestalte Gods was, Zichzelf ontledigd heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen(Filip. 2:6, 7)en aan zijn broeders in alle opzichten gelijk geworden is(Hebr. 2:17).
Indien wij een andere middelaar moesten zoeken, die ons gunstig gezind zou zijn, wie zouden wij dan kunnen vinden, die ons meer liefheeft dan Hij die zijn leven voor ons gegeven heeft,zelfs toen wij zijn vijanden waren(Rom. 5:8, 10)? En als wij iemand moesten zoeken die macht en aanzien heeft, wie is zo machtig en aanzienlijk als Hij die gezeten is aan de rechterhand van zijn Vader5endie alle macht heeft in hemel en op aarde(Matt. 28:18)? En wie zal eerder verhoord worden dan de eigen zeer geliefde Zoon van God6?
Het is dus enkel gebrek aan vertrouwen dat geleid heeft tot de gewoonte om de heiligen te onteren in plaats van hen te eren. Want men doet wat zij nooit gedaan of begeerd hebben, maar wat zij onophoudelijk volgens hun plicht verworpen hebben7, zoals uit hun geschriften blijkt.
Men moet onze onwaardigheid hier niet tegen inbrengen, want er is geen sprake van dat wij onze gebeden op grond van onze waardigheid voor God zouden brengen, maar wij doen dat alleen op grond van de uitnemendheid en waardigheid van onze Heer Jezus Christus8; zijn gerechtigheid is immers de onze door het geloof9. Daarom zegt de Schrift ons, als zij deze dwaze vrees of liever dit gebrek aan vertrouwen van ons wil wegnemen,dat Jezus Christus in alle opzichten aan zijn broeders is gelijk geworden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen. Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun die verzocht worden, te hulp komen(Hebr. 2:17, 18). En om ons nog meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt de Schrift verder:Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen Hogepriester die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar een die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen. Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd10(Hebr. 4:14-16). In dezelfde brief zegt de Schrift,dat wij volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus; laten wij dan toetreden in volle verzekerdheid van het geloof(Hebr. 10:19, 22). Eveneens:Christus heeft een priesterschap dat op geen ander kan overgaan; daarom kan Hij ook volkomen behouden wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten11(Hebr. 7:24, 25).
Wat hebben wij dan nog meer nodig, daar Christus zelf uitdrukkelijke zegt:Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij(Joh. 14:6)? Waarom zouden wij een andere advocaat zoeken, daar het God behaagd heeft ons zijn Zoon te geven om voor ons te pleiten? Laten wij Hem niet loslaten om een ander te nemen, of liever, om een ander te zoeken, zonder die ooit te vinden. Want toen God Hem aan ons gaf, wist Hij heel goed dat wij zondaars waren. Daarom roepen wij naar het gebod van Christus de hemelse Vader aan door Christus, onze enige Middelaar12, zoals ons in het gebed des Heren geleerd is13. En wij zijn er zeker vandat de Vader ons zal geven al wat wij Hem bidden in Christus? naam14(Joh. 16:23).
11Tim. 2:5.21Joh. 2:1.3Ef. 3:12.4Mat. 11:28; Joh. 15:13; Ef. 3:19; 1Joh. 4:10.5Heb. 1:3; 8:1.6Mat. 3:17; Joh. 11:42; Ef. 1:6.7Hand. 10:26; 14:15.8Jer. 17:5, 7; Hand. 4:12.91Kor. 1:30.10Joh. 10:9; Ef. 2:18; Heb. 9:24.11Rom. 8:34.12Heb. 13:15.13Mat. 6:9-13; Luc. 11:2-4.14Joh. 14:13.
Artikel 27 – De katholieke of algemene kerk
Wij geloven en belijden ëën katholieke of algemene kerk1. Zij is een heilige vergadering2van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus3, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest4.
Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn5. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld6, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is7. Zo heeft de Heer gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen voor Zich bewaard, die hun knieen voor Baäl niet gebogen hadden8.
Ook is deze heilige kerk niet gevestigd in, gebonden aan, of beperkt tot een bepaalde plaats, of gebonden aan bepaalde personen, maar zij is verbreid en verstrooid over heel de wereld9. Toch is zij met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof10.
1Gen. 22:18; Jes. 49:6; Ef. 2:17-19.2Ps. 111:1; Joh. 10:14, 16; Ef. 4:3-6; Hebr. 12:22, 23.3Joël 2:32; Hand. 2:21.4Ef. 1:13; 4:30.52Sam. 7:16; Ps. 89:37; Ps. 110:4; Matt. 28:18, 20; Luc. 1:32.6Ps. 46:6; Mat. 16:18.7Jes. 1:9; 1Pet. 3:20; Opb. 11:7.81Kon. 19:18; Rom. 11:4.9Mat. 23:8; Joh. 4:21-23; Rom. 10:12, 13.10Ps. 119:63; Hand. 4:32; Ef. 4:4.
Artikel 28 – De roeping zich bij de kerk te voegen
Wij geloven dat niemand, welke positie hij ook heeft, zich van deze heilige vergadering afzijdig mag houden, om op zichzelf te blijven staan. In deze vergadering komen immers bijeen degenen die behouden worden, en buiten haar is er geen heil1. Daarom moet ieder zich bij haar voegen en zich met haar verenigen2. Zo wordt de eenheid van de kerk bewaard; men onderwerpt zich aan haar onderwijzing en tucht3, buigt de hals onder het juk van Jezus Christus4en dient de opbouw van de broeders5overeenkomstig de gaven die God aan allen verleend heeft, als leden van eenzelfde lichaam6.
Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen7, en zich bij deze vergadering te voegen8op ieder plaats waar God haar gesteld heeft, zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan9.
Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel.
1Mat. 16:18, 19; Hand. 2:47; Gal. 4:26; Ef. 5:25-27; Heb. 2:11, 12; 12:23.22Kron. 30:8; Joh. 17:21; Kol. 3:15.3Heb. 13:17.4Mat. 11:28-30.5Ef. 4:12.61Kor. 12:7, 27; Ef. 4:16.7Num. 16:23-26; Jes. 52:11, 12; Hand. 2:40; Rom. 16:17; Opb. 18:4.8Ps. 122:1; Jes. 2:3; Heb. 10:25.9Hand. 4:19, 20.
Artikel 29 – De kenmerken van de ware kerk, van haar leden en van de valse kerk
Wij geloven dat men nauwgezet en met grote zorgvuldigheid, vanuit Gods Woord, behoort te onderscheiden welke de ware kerk is, omdat alle sekten die er tegenwoordig in de wereld zijn, zich ten onrechte kerk noemen1. Wij spreken hier niet over de huichelaars, die zich in de kerk tussen de oprechte gelovigen bevinden en toch niet bij de kerk horen, al zijn zij voor het oog wel in de kerk2. Maar wij bedoelen dat men het lichaam en de gemeenschap van de ware kerk moet onderscheiden van alle sekten, die beweren dat zij de kerk zijn.
De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt3; dat zij de zuivere bediening van de sacramenten onderhoudt4, zoals Christus die heeft ingesteld; dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te bestraffen5. Kortom, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God6, alles wat daarmee in strijd is verwerpt7en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd8. Hieraan kan men met zekerheid de ware kerk kennen en niemand heeft het recht zich van haar af te scheiden.
Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen, namelijk aan het geloof9en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen10, de ware God en hun naaste liefhebben11, niet naar rechts of naar links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen12. Dat wil echter niet zeggen dat er geen grote zwakheid meer in hen zou zijn, maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang13. Zij nemen voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Heer Jezus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben door het geloof in Hem14.
Wat de valse kerk betreft, deze schrijft aan zichzelf en haar verordeningen meer gezag toe dan aan Gods Woord en wil zich niet aan het juk van Christus onderwerpen15. Zij bedient de sacramenten niet zoals Christus in zijn Woord geboden heeft, maar naar eigen goedvinden voegt zij eraan toe en laat zij eruit weg. Zij grondt zich meer op mensen dan op Christus. Zij vervolgt hen die heilig leven naar Gods Woord en die haar bestraffen over haar zonden, hebzucht en afgoderij16.
Deze twee kerken zijn gemakkelijk te kennen en van elkaar te onderscheiden.
1Opb. 2:9.2Rom. 9:6.3Gal. 1:8; 1Tim. 3:15.4Hand. 19:3-5; 1Kor. 11:20-29.5Matt. 18:15-17; 1Kor. 5:4, 5, 13; 2Tes. 3:6, 14; Tit. 3:10.6Joh. 8:47; 17:20; Hand. 17:11; Ef. 2:20; Kol. 1:23; 1Tim. 6:3.71Tes. 5:21; 1Tim. 6:20; Opb. 2:6.8Joh. 10:14; Ef. 5:23; Kol. 1:18.9Joh. 1:12; 1Joh. 4:2.10Rom. 6:2; Fil. 3:12.111Joh. 4:19-21.12Gal. 5:24.13Rom. 7:15; Gal. 5:17.14Rom. 7:24, 25; 1Joh. 1:7-9.15Hand. 4:17, 18; 2Tim. 4:3, 4; 2Joh. :9.16Joh. 16:2.
Artikel 30 – De regering van de kerk
Wij geloven dat deze ware kerk geestelijk geregeerd moet worden op de wijze die onze Heer ons in zijn Woord geleerd heeft1. Er moeten dienaren of herders zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen2, ook opzieners3en diakenen4, om met de herders een raad van de kerk te vormen5. Op die manier moeten zij de ware godsdienst onderhouden en zorgen dat de ware leer voortgang heeft, dat de overtreders op geestelijke wijze gestraft en in toom gehouden worden, en dat de armen en zij die in moeite verkeren, geholpen en getroost worden naarmate zij het nodig hebben6.
Op deze wijze zal alles in de kerk in goede orde geschieden, wanneer personen gekozen worden die trouw zijn7, overeenkomstig de regel die de apostel Paulus daarvoor geeft in de brief aan Timoteüs8.
1Hand. 20:28; Ef. 4:11, 12; 1Tim. 3:15; Heb. 13:20, 21.2Luc. 1:2; 10:16; Joh. 20:23; Rom. 10:14; 1Kor. 4:1; 2Kor. 5:19, 20; 2Tim. 4:2.3Hand. 14:23; Tit. 1:5.41Tim. 3:8-10.5Filip. 1:1; 1Tim. 4:14.6Hand. 6:1-4; Tit. 1:7-9.71Kor. 4:2.81Tim. 3.
Artikel 31 – De ambten in de kerk
Wij geloven dat de dienaren van Gods Woord, de ouderlingen en de diakenen tot hun ambt behoren gekozen te worden in de weg van wettige verkiezing door de kerk, onder aanroeping van Gods naam en in goede orde, zoals Gods Woord leert1.
Daarom moet ieder zich er terdege voor wachten, zich met ongeoorloofde middelen in te dringen, maar hij moet de tijd afwachten dat hij door God geroepen wordt, om daarin het overtuigend bewijs te hebben dat zijn roeping van de Here komt2.
Wat de dienaren des Woords betreft, zij hebben, waar zij ook staan, gelijke macht en gelijk gezag, omdat zij allen dienaren van Jezus Christus zijn3, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de kerk4.
Bovendien, de heilige verordening van God mag niet geschonden worden of in verachting raken; daarom zeggen wij dat ieder voor de dienaren des Woords en de ouderlingen van de kerk bijzondere achting moet hebben om het werk dat zij doen5. Ieder moet zonder morren, twist of tweedracht, zoveel mogelijk in vrede met hen leven.
1Hand. 1:23, 24; 6:2, 3.2Hand. 13:2; 1Kor. 12:28; 1Tim. 4:14; 1Tim. 5:22; Heb. 5:4.32Kor. 5:20; 1Pet. 5:1-4.4Mat. 23:8, 10; Ef. 1:22; 5:23.51Tes. 5:12, 13; 1Tim. 5:17; Heb. 13:17.
Artikel 32 – De orde en de tucht in de kerk
Wij geloven dat, hoewel het nuttig en goed is dat de regeerders van de kerk onderling een vaste orde instellen en handhaven om het lichaam van de kerk in stand te houden, zij zich er toch voor moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft1.
Daarom verwerpen wij alle menselijke bedenksels en alle wetten die men zou willen invoeren om God te dienen en daardoor het geweten te binden en te dwingen, op welke wijze dan ook2. Wij aanvaarden dus alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God3.
Hiervoor is vereist de uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk overeenkomstig Gods Woord, en wat daarmee verbonden is4.
11Tim. 3:15.2Jes. 29:13; Mat. 15:9; Gal. 5:1.31Kor. 14:33.4Mat. 16:19; 18:15-18; Rom. 16:17; 1Kor. 5; 1Tim. 1:20.
Artikel 33 – De sacramenten
Wij geloven dat onze goede God, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld. Zo wil Hij ons zijn beloften verzegelen en ons onderpanden van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons in handen geven. Ook wil Hij zo ons geloof voeden en onderhouden1. Hij heeft de sacramenten gevoegd bij het Woord van het evangelie2, om ons door middel van onze zintuigen des te beter duidelijk te maken, zowel wat Hij ons door zijn Woord te verstaan geeft, als wat Hij van binnen in ons hart doet.
Zo bekrachtigt Hij in ons het heil waaraan Hij ons deel geeft. Want de sacramenten zijn zichtbare tekenen en zegels van een inwendige en onzichtbare zaak. Door middel daarvan werkt God in ons door de kracht van de Heilige Geest3. Daarom zijn de tekenen niet krachteloos en zonder inhoud, zodat zij ons zouden misleiden, want Jezus Christus is de waarheid ervan en zonder Hem zouden zij niets zijn.
Voorts hebben wij genoeg aan het aantal sacramenten dat Christus, onze Meester, voor ons heeft ingesteld, namelijk niet meer dan twee: het sacrament van de heilige doop4en dat van het heilig avondmaal van Jezus Christus5.
1Gen. 17:9-14; Ex. 12; Rom. 4:11.2Mat. 28:19; Ef. 5:26.3Rom. 2:28, 29; Kol. 2:11, 12.4Mat. 28:19.5Matt. 26:26-28; 1Kor. 11:23-26.
Artikel 34 – De heilige doop
Wij geloven en belijden dat Jezus Christus, die het einde van de wet is (Rom. 10:4), door het vergieten van zijn bloed een eind gemaakt heeft aan elke andere bloedstorting die men zou kunnen of willen doen tot verzoening voor onze zonden. Hij heeft de besnijdenis, waarbij bloed vloeide, afgeschaft en in plaats daarvan het sacrament van de doop ingesteld1.
Hierdoor worden wij in de kerk van God opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem2, van wie wij het merk en veldteken dragen. Dit dient ons tot een getuigenis dat Hij eeuwig onze God en onze genadige Vader zal zijn.
Daarom heeft Christus geboden al de zijnen te dopenin de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest(Matt. 28:19), met gewoon water. Daarmee geeft Hij ons te verstaan: evenals het water waarmee de dopeling overgoten en voor aller ogen besprenkeld wordt, de onreinheid van het lichaam afwast, zo bewerkt het bloed van Christus hetzelfde van binnen, in de ziel, door de Heilige Geest3; het besprenkelt de ziel en zuivert haar van zonden4en doet ons van kinderen des toorns opnieuw geboren worden tot kinderen van God5. Wij worden evenwel niet door het water als zodanig van onze zonden gereinigd6, maar door de besprenkeling met het kostbaar bloed van de Zoon van God7. Hij is onze Rode Zee8, waar wij doorheen moeten gaan om te ontkomen aan de tirannie van Farao – dat is de duivel – en binnen te gaan in het geestelijke Kanaän.
De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven. Hij wast onze ziel en reinigt haar grondig van alle onreinheden en ongerechtigheden9. Hij vernieuwt ons hart, schenkt ons volkomen troost en geeft ons vaste zekerheid van zijn vaderlijke goedheid. Hij doet ons de nieuwe mens aan en Hij trekt ons de oude mens uit met al zijn werken10.
Daarom geloven wij dat wie tot het eeuwige leven wil komen, maar eenmaal gedoopt moet worden11. De doop mag niet herhaald worden, want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden. Deze doop is immers niet alleen van waarde voor ons wanneer wij hem ontvangen en het water op ons is, maar gedurende ons hele leven.
Daarom verwerpen wij de dwaling van de wederdopers, die niet tevreden zijn met de eens ontvangen doop en die bovendien de doop van de kleine kinderen der gelovigen veroordelen. Wij geloven daarentegen dat men hen behoort te dopen en met het teken van het verbond te verzegelen, evenals de kleine kinderen in Israël besneden werden op grond van dezelfde beloften die aan onze kinderen gedaan zijn12. Christus heeft zijn bloed even zeker vergoten om de kleine kinderen van de gelovigen te wassen, als Hij dat gedaan heeft voor de volwassenen13. Daarom behoren zij het teken en sacrament van wat Christus voor hen gedaan heeft te ontvangen, zoals de Here in de wet gebood hun kort nadat zij geboren waren, deel te geven aan het sacrament van het lijden en sterven van Christus door het offer van een lam14. Dat was een sacrament van Jezus Christus.
Bovendien doet de doop aan onze kinderen hetzelfde wat de besnijdenis deed aan het joodse volk. Daarom noemt de apostel Paulus de doop:de besnijdenis van Christus(Kol. 2:11).
1Kol. 2:11.2Ex. 12:48; 1Pet. 2:9.3Mat. 3:11; 1Kor. 12:13.4Hand. 22:16; Hebr. 9:14; 1Joh. 1:7; Opb. 1:5b.5Tit. 3:5.61Pet. 3:21.7Rom. 6:3; 1Pet. 1:2; 2:24.81Kor. 10:1-4.91Kor. 6:11; Ef. 5:26.10Rom. 6:4; Gal. 3:27.11Mat. 28:19; Ef. 4:5.12Gen. 17:10-12; Mat. 19:14; Hand. 2:39.131Kor. 7:14.14Lev. 12:6.
Artikel 35 – Het heilig avondmaal
Wij geloven en belijden dat onze Heiland Jezus Christus het sacrament van het heilig avondmaal voorgeschreven en ingesteld heeft1, om te voeden en te onderhouden degenen die Hij reeds opnieuw geboren deed worden en in zijn huisgezin, dat is zijn kerk, heeft ingelijfd.
Nu hebben zij die opnieuw geboren zijn, tweeërlei leven in zich2. Het ene is lichamelijk en tijdelijk: zij hebben het van hun eerste geboorte meegebracht en alle mensen bezitten het. Het andere is geestelijk en hemels: het wordt hun gegeven in de tweede geboorte, die geschiedt door het Woord van het evangelie3in de gemeenschap met het lichaam van Christus. Dit leven bezitten slechts Gods uitverkorenen. Zo heeft God voor de instandhouding van het lichamelijke en aardse leven gewoon, aards brood voorgeschreven, dat allen ontvangen, zoals het leven zelf. Maar voor het onderhouden van het geestelijke en hemelse leven, dat de gelovigen bezitten, heeft Hij huneen levend brood gezonden, dat uit de hemel neergedaald is(Joh. 6:51), namelijk Jezus Christus4. Hij voedt en onderhoudt het geestelijke leven van de gelovigen5, als Hij gegeten wordt, dat wil zeggen geestelijk toegeëigend en door het geloof ontvangen6.
Om ons dit geestelijke en hemelse brood af te beelden, heeft Christus een aards en zichtbaar brood voorgeschreven als sacrament van zijn lichaam en de wijn als sacrament van zijn bloed7. Hiermee verzekert Hij ons ervan: zo zeker als wij het sacrament ontvangen en in onze handen houden en het eten en drinken met onze mond, om ons leven in stand te houden, zo zeker ontvangen wij in onze ziel door het geloof8– dat de hand en mond van onze ziel is – het ware lichaam en het ware bloed van Christus, onze enige Heiland, om ons geestelijke leven in stand te houden.
Nu is het volstrekt zeker dat Jezus Christus ons zijn sacramenten niet voor niets heeft voorgeschreven. Hij werkt dan ook in ons alles wat Hij ons door deze heilige tekenen voor ogen stelt, hoewel de wijze waarop dit geschiedt ons verstand te boven gaat, evenals de werking van de Heilige Geest verborgen is en niet te begrijpen9.
Toch vergissen wij ons niet, als wij zeggen dat wat door ons gegeten en gedronken wordt, het eigen en natuurlijke lichaam en het eigen bloed van Christus is. Maar de wijze waarop wij deze nuttigen, is niet met de mond, maar geestelijk, door het geloof. Zo blijft Jezus Christus altijd gezeten aan de rechterhand van God, zijn Vader, in de hemel10en deelt Hij Zichzelf toch aan ons mee door het geloof. Bij dit geestelijke feestmaal geeft Christus ons deel aan Zichzelf met al zijn schatten en gaven en doet Hij ons zowel Zichzelf als de verdiensten van zijn lijden en sterven genieten11. Hij voedt, sterkt en troost onze arme, verslagen ziel door ons te eten te geven van zijn lichaam, en verkwikt en vernieuwt haar door ons te drinken te geven van zijn bloed.
Verder, hoewel het sacrament met de zaak waarvan het een teken is, verbonden is, worden beide toch niet door allen ontvangen12. De goddeloze ontvangt wel het sacrament, tot zijn veroordeling, maar niet de waarheid van het sacrament, evenals Judas en Simon de tovenaar beiden wel het sacrament ontvingen, maar niet Christus, die daardoor voorgesteld wordt13. Hij wordt alleen het deel van de gelovigen14.
Tenslotte, wij ontvangen dit heilig sacrament in de samenkomst van Gods volk15met ootmoed en eerbied. Daarbij gedenken wij samen met dankzegging de dood van Christus, onze Heiland, en doen wij belijdenis van ons geloof en van de christelijke godsdienst16. Daarom behoort niemand aan het avondmaal te gaan zonderzichzelf eerst op de juiste wijze beproefd te hebben, om, als hij van dit brood eet en uit de beker drinkt, niettot zijn eigen oordeel te eten en te drinken(1 Kor. 11:28, 29). Kortom, we worden door het gebruik van dit heilig sacrament bewogen tot een vurige liefde jegens God en onze naaste.
Daarom verwerpen wij als ontheiliging van de sacramenten alle toevoegingen en vervloekte verzinsels die de mensen erin aangebracht en ermee vermengd hebben. En wij verklaren dat men zich tevreden moet stellen met wat Christus en zijn apostelen ons voorgeschreven hebben en dat men daarover moet spreken zoals zij erover gesproken hebben.
1Mat. 26:26-28; Mar. 14:22-24; Luc. 22:19, 20; 1Kor. 11:23-26.2Joh. 3:5, 6.3Joh. 5:25.4Joh. 6:48-51.5Joh. 6:63; 10:10b.6Joh. 6:40, 47.7Joh. 6:55; 1Kor. 10:16.8Ef. 3:17.9Joh. 3:8.10Mar. 16:19; Hand. 3:21.11Rom. 8:32; 1Kor. 10:3, 4.121Kor. 2:14.13Luc. 22:21, 22; Hand. 8:13, 21.14Joh. 3:36.15Hand. 2:24; 20:7.16Hand. 2:46; 1Kor. 11:26.
Artikel 36 – De taak van de overheid
Wij geloven dat onze goede God om de verdorvenheid van het menselijk geslacht geboden heeft, dat er koningen, vorsten en overheden zullen zijn1. Hij wil namelijk dat de wereld geregeerd wordt door wetten en staatsregelingen2, zodat de ongebondenheid van de mensen bedwongen wordt en alles in goede orde onder hen toegaat3. Hiertoeheeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven tot bestraffing van de slechteen bescherming van de goedemensen(Rom. 13:4). Haar taak is niet alleen zorg te dragen voor de openbare orde en daarover te waken, maar ook de heilige dienst van de kerk te beschermen, om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt4, zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt. Verder is ieder, welke positie hij ook heeft, verplicht zich aan de overheid te onderwerpen, belasting te betalen, haar eer en eerbied te bewijzen, haar gehoorzaam te zijn5in alles wat niet in strijd is met Gods Woord6, en voor haar te bidden dat de Heer haar bestuurt op al haar wegen,zodat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid(1 Tim. 2:1, 2).
Op dit punt wijzen wij de wederdopers en andere oproerige mensen af en in het algemeen allen die overheid en gezag verwerpen, de rechtsorde omver willen werpen7 door het invoeren van gemeenschap van goederen, en die de goede zeden die God onder de mensen heeft ingesteld, verstoren.
1Spr. 8:15; Dan. 2:21; Joh. 19:11; Rom. 13:1.2Ex. 18:20.3Deut. 1:16; 16:19; Richt. 21:25; Ps. 82; Jer. 21:12; Jer. 22:3; 1Pet. 2:13, 14.4Ps. 2; Rom. 13:4a; 1Tim. 2:1-4.5Mat. 17:27; 22:21; Rom. 13:7; Tit. 3:1; 1Pet. 2:17.6Hand. 4:19; 5:29. 7 2Pet. 2:10; Judas :8.
Artikel 37 – Het laatste oordeel
Tenslotte geloven wij in overeenstemming met Gods Woord, dat als de door de Heer bepaalde tijd – die aan alle schepselen onbekend is – gekomen1en het getal van de uitverkorenen vol zal zijn2, onze HereJezus Christus uit de hemel zal komen, lichamelijk en zichtbaar3,op dezelfde wijze als Hij naar de hemel is opgevaren(Hand. 1:11), met grote heerlijkheid en majesteit4. Hij zal Zich openbaren als Rechter over levenden en doden5, terwijl Hij deze oude wereld in vuur en vlam zet om haar te zuiveren6.
Dan zullen voor deze grote Rechter persoonlijk verschijnen alle mensen die ooit geleefd hebben7: mannen, vrouwen en kinderen, gedagvaard doorde stem van een aartsengel en het geklank van een goddelijke bazuin(1 Tess. 4:16). Want al de gestorvenen zullen uit de aarde verrijzen8en de zielen zullen verenigd worden met het eigen lichaam waarin zij geleefd hebben. Zij die dan nog leven zullen niet sterven zoals de anderen, maar in ëën ogenblik veranderd worden en van vergankelijk onvergankelijk worden9.Dan zullen de boeken geopend en de doden geoordeeld worden(Openb. 20:12)naar wat zij in deze wereld gedaan hebben, hetzij goed hetzij kwaad10(2Kor. 5:10). Ja,de mensen zullen rekenschap moeten geven van elk ijdel woord dat zij gesproken hebben(Matt. 12:36), al vindt de wereld zulk spreken slechts spel en tijdverdrijf. Dan zal wat door de mensen in het verborgen bedreven is, ook hun huichelarij, openlijk voor allen aan het licht gebracht worden.
Terecht is daarom de gedachte aan dit oordeel schrikwekkend en angstaanjagend voor de slechte en goddeloze mensen11, maar de rechtvaardigen en uitverkorenen verlangen er vurig naar en putten er rijke troost uit. Hun verlossing zal dan immers helemaal voltooid worden en zij zullen dan de vruchten van hun moeitevolle arbeid ontvangen12. Hun onschuld zal dan door allen worden erkend en zij zullen zien de verschrikkelijke manier waarop God Zich wreekt op de goddelozen, die hen in deze wereld getiranniseerd, verdrukt en gekweld hebben13. Die zullen tot erkenning van hun schuld gebracht worden, door het getuigenis van hun eigen geweten. Zij zullen wel onsterfelijk worden, maar alleen om gepijnigd te wordenin het eeuwige vuur14, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is15(Matt. 25:41).
De gelovigen en uitverkorenen daarentegen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer.De Zoon van God zal hun naam belijden voor God, zijn Vader(Matt. 10:32), en zijn uitverkoren engelen16,en God zal alle tranen van hun ogen afwissen17(Openb. 21:4). Dan zal blijken dat hun zaak, die nu door veel rechters en overheden als ketters en goddeloos veroordeeld wordt, de zaak van de Zoon van God is. En als een genadige beloning zal de Heer hun zo’n heerlijkheid doen bezitten als in het hart van een mens nooit zou kunnen opkomen18.
Daarom verwachten wij die grote dag met sterk verlangen, om ten volle te genieten de beloften van God in Jezus Christus, onze Here.
1Mat. 24:36; 25:13; 1Tes. 5:1, 2.2Heb. 11:39, 40; Opb. 6:11.3Opb. 1:7.4Mat. 24:30; 25:31.5Mat. 25:31-46; 2Tim. 4:1; 1Pet. 4:5.62Pet. 3:10-13.7Deut. 7:9-11; Opb. 20:12, 13.8Dan. 12:2; Joh. 5:28, 29.91Kor. 15:51, 52; Fil. 3:20, 21.10Heb. 9:27; Opb. 22:12.11Mat. 11:22; 23:33; Rom. 2:5, 6; Hebr. 10:27; 2Pet. 2:9; Judas :15; Opb. 14:7a.12Luc. 14:14; 2Tes. 1:3-10; 1Joh. 4:17.13Opb. 15:4; 18:20.14Mat. 13:41, 42; Mar. 9:48; Luc. 16:23-28; Opb. 21:8.15Opb. 20:10.16Opb. 3:5.17Jes. 25:8; Opb. 7:17.18Dan. 12:3; Mat. 5:12; 13:43; 1Kor. 2:9; Opb. 21:9-22:5.
Het Verzoekschrift en Begeleidend schrijven aan Filips II
De gelovigen in de Nederlanden die willen leven naar de ware reformatie van het Evangelie van onze Here Jezus Christus, aan de onoverwinnelijke Koning Philips, hun hoogste Heer.
Door middel van deze brief willen wij U op de hoogte stellen van het lijden van Uw volk. Graag hadden wij ons persoonlijk bij U verdedigd tegen de beschuldigingen die men tegen ons inbrengt. Onze vijanden hebben echter zoveel valse aanklachten bij U ingediend, dat wij de kans niet krijgen voor U te verschijnen om onze zaak te bepleiten. Wij worden zelfs verbannen, vermoord en verbrand. Nergens zijn we veilig.
Daarom vragen wij U of U naar onze klachten wilt luisteren.
Wanneer men ons immers alleen maar hoeft te beschuldigen en wij de gelegenheid niet krijgen ons te verdedigen, is vrijspraak uitgesloten. U mag, mijnheer de koning, als U ons na het aanhoren van onze klachten schuldig bevindt, de brandstapels en andere straffen in Uw koninkrijk vermeerderen. Wanneer echter blijkt dat wij onschuldig zijn, wilt U ons dan tegen de macht van onze vijanden beschermen.
Onze vijanden beweren dat wij ongehoorzame opstandelingen zijn, die er alleen maar op uit zijn elk overheidsgezag te vernietigen en verwarring in de wereld te brengen. Zij beweren dat wij niet alleen onszelf van Uw heerschappij willen bevrijden, maar U ook van Uw troon willen stoten. Misdaden, die in strijd zijn met onze belijdenis, ons “christen zijn” en zelfs met ons “mens zijn”! Misdaden, die terecht het oude spreekwoord van de Romeinse tirannen zouden doen herleven: de christenen voor de leeuwen.
Maar beschuldigen alleen is niet voldoende. Het gaat om het bewijs. De profeten, de apostelen en ook de leden van de eerste christelijke gemeente zijn aangeklaagd en met dergelijke laster schijnbaar in het nauw gebracht. Maar net als zij dat in hun tijd gedaan hebben, verklaren wij nu uitdrukkelijk voor God en Zijn engelen dat wij niets liever willen dan, gehoorzaam aan de overheid, met een zuiver geweten te leven, God te dienen en ons leven te richten naar Zijn Woord. Bovendien kunnen onze rechters getuigen dat zij nooit bij ons iets opgemerkt hebben wat op ongehoorzaamheid wees jegens U of de openbare orde verstoorde. Zij zullen daarentegen gemerkt hebben dat wij in onze bijeenkomsten bidden voor koningen en andere overheidspersonen en in het bijzonder voor U, Majesteit, en voor hen die U hebt aangesteld om Uw rijk te besturen. Wij weten immers uit Gods Woord en ook door het onderwijs van onze predikanten, dat koningen en andere gezagsdragers door God zijn aangesteld, en dat wie zich tegen de overheid verzet, Gods gebod overtreedt en Zijn oordeel over zich haalt. Wij belijden dat door Gods eeuwige wijsheid koningen heersen en overheidspersonen rechtspreken.
Kortom, zij zijn niet door onrecht tot hun gezag gekomen, maar door God zelf aangesteld.
Dit alles belijden wij niet alleen met de mond, maar ook met ons hart. Niemand onder ons heeft immers ooit geweigerd U belasting te betalen. Ieder heeft gehoorzaam betaald, zodra er een aanslag kwam. Ook is er bij ons nooit wapenbezit of een samenzwering ontdekt, zelfs niet toen wij door hen die zich met een beroep op U aan alle mogelijke wreedheid te buiten gaan, zo wreed gemarteld werden. Zelfs het geduld van de zachtmoedigste zou daardoor toch veranderen in woede en wanhoop.
Wij danken echter onze God dat het bloed van onze broeders, voor onze zaak, of liever voor de zaak van Jezus Christus vergoten, tot God roept. De verbanningen, gevangenisstraffen, pijnbanken, verbeurdverklaringen, martelingen en andere verdrukkingen bewijzen wel dat het ons niet om onszelf te doen is. Wij zouden het immers veel gemakkelijker kunnen hebben, als wij deze leer niet verdedigden.
Wij vrezen echter God, verschrikt door het dreigende woord van Jezus Christus, die zegt dat Hij ons verloochenen zal voor God Zijn Vader, als wij Hem voor de mensen verloochenen. Omdat wij weten dat wie Christus wil volgen, zijn kruis op moet nemen en zichzelf moet verloochenen, ondergaan wij al deze martelingen geduldig. Een normaal mens zal hen die land, familie en vrienden verlaten om in vrede te leven, daarom nooit van oproer kunnen verdenken. Evenmin zal hij hen die voor het Evangelie sterven, ervan kunnen verdenken dat zij de koning van zijn macht willen beroven. In dat Evangelie staat immers: geeft aan de keizer wat van de keizer is en aan God wat van God is. Als zij dus hun lichaam en bezit aan de koning prijsgeven, vragen zij U of zij aan God mogen geven wat Hij van hen eist. Dat mogen wij God niet weigeren, omdat Hij ons gekocht en duur betaald heeft en ons tot Zijn eigendom heeft gemaakt.
Voorts menen wij dat onze vijanden misbruik maken van Uw goedheid en geduld, als zij U dwingen naar hun misleidende woorden te luisteren. Zij zeggen namelijk dat wij alleen wegens ons kleine aantal niet tegen U opstaan. Alsof ieder van ons in zijn hart een opstandeling is en wij slechts op het meedoen van de massa wachten om U aan te vallen en onze woede te koelen. Maar wij verzekeren U, mijnheer de koning, dat er in de Nederlanden meer dan honderdduizend mannen zijn die de godsdienst waarvan wij U de belijdenis aanbieden, aanhangen. Bij niemand van hen is er iets van voorbereiding van een opstand te merken. Er is zelfs nog nooit over gesproken.
Wij noemen U dit grote aantal van onze broeders niet, mijnheer de koning, om al Uw ambtenaren en dienaren bang te maken. Wij willen daarmee de lasterpraatjes weerleggen van hen die ons alleen door leugens gehaat kunnen maken, en een beroep doen op Uw barmhartigheid. Want als U van plan bent zoveel mensen om te brengen, zal dat rampzalige gevolgen hebben voor Uw onderdanen. U zult ontzettend veel verdriet veroorzaken bij vrouwen, kinderen, verwanten en vrienden.
Iedereen zal ontdaan zijn, als hij ziet hoe zoveel aanzienlijk en geliefde burgers na martelingen en een verschrikkelijke gevangenschap op zo’n schandelijke en ongehoord wrede manier worden gedood. En hun vrouwen, als zij tenminste kunnen ontsnappen, zullen in vreemde landen moeten rondzwerven en met hun kinderen op de arm om brood moeten bedelen.
Wij hopen, mijnheer de koning, dat het nageslacht Uw bewind niet als bloedig en wreed zal typeren. Laat men niet zeggen dat de eer van Uw vader en voorvader en Uw eigen deugden door deze wreedheid overschaduwd zijn. Zo’n wreedheid is toch een mens onwaardig en past zeker niet bij een vorst, van wie zachtmoedigheid juist de belangrijkste deugd is. Zachtmoedigheid is toch wat een echte koning onderscheidt van een tiran.
Men vervolgt ons niet alleen als vijanden van U en van de samenleving, maar ook als vijanden van God en van Zijn kerk. Daarom vragen wij U of U ons wilt beoordelen naar onze geloofsbelijdenis die wij U hierbij aanbieden. Wij zijn bereid deze belijdenis zonodig met ons eigen bloed te bekrachtigen. Hopelijk zult U erkennen dat men ons ten onrechte scheurmakers, opstandelingen en ketters noemt. Want wij belijden niet alleen de hoofdpunten van het christelijk geloof, vervat in de apostolische geloofsbelijdenis, maar de gehele leer die Jezus Christus ons geopenbaard heeft tot leven, gerechtigheid en behoud.
Deze leer is door de evangelisten en apostelen verkondigd, bezegeld met het bloed van vele martelaren, en zuiver bewaard door de eerste christelijke gemeenten.
Maar door de onkunde, hebzucht en eerzucht van predikers, en door menselijke verzinsels en instellingen – volkomen in strijd met het zuivere Evangelie -, is zij totaal verminkt.
Onze tegenstanders ontkennen op onbeschaamde wijze dat dit Evangelie de kracht van God tot behoud is voor ieder die gelooft. Dat ontkennen zij namelijk als zij ons veroordelen en vermoorden, omdat wij ons niet houden aan wat niet in het Evangelie staat. Daarmee lasteren zij de Heilige Geest. Zij ontkennen immers dat heel Gods wijsheid en alles wat voor onze zaligheid nodig is, in het Oude en Nieuwe Testament staat. Zij zeggen dat hun verzinsels daarbij noodzakelijk zijn en dat degene die deze niet van dezelfde of hogere waarde dan het Evangelie acht, vervloekt is, verbannen en gedood moet worden, en zelfs de helse straf verdient.
Wij beven bij deze woorden en schrikken van de dreigementen van hen die macht hebben ons lichaam te verbranden. Maar anderzijds horen wij de apostel zeggen: “Ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een Evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt!” Ook horen wij hoe Johannes zijn profetie als volgt besluit: “Ik betuig aan een ieder die de woorden der profetie van dit boek hoort: indien iemand hieraan toevoegt, God zal hem toevoegen de plagen die in dit boek beschreven zijn”. Kortom, wij horen dat ons verboden wordt iets toe te voegen aan Gods geboden of daarvan iets weg te laten. Jezus Christus zegt ons dat Hij ons alles wat Hij van Zijn Vader gehoord heeft, te kennen heeft gegeven.
Nu heeft Christus ter wille van de zwakheid van de apostelen hun nog iets verzwegen. Maar Hij heeft beloofd hun dat te openbaren door de Heilige Geest die Hij hun zou zenden. En omdat Hij de Waarheid zelf is, zijn wij er zeker van dat Hij die belofte aan hen gehouden heeft. Daarom staan die “verborgenheden” in het Evangelie en in de brieven van de apostelen die na die belofte en na het ontvangen van de Heilige Geest geschreven zijn. Degenen die onder de “verborgenheden die de apostelen niet konden dragen” hun ceremoniën en bijgeloof, die in strijd zijn met Gods Woord, verstaan, misbruiken dus de woorden van de evangelisten. Wij zouden dit gemakkelijk kunnen bewijzen door het getuigenis van de Schrift. Wij moeten in een brief echter kort zijn en willen U niet lastig vallen. Wel verzoeken wij U in de naam van Hem die U tot koning heeft aangesteld, niet toe te laten dat onze vijanden uit eerzucht en met kwade bedoelingen Uw macht gebruiken om hun snode plannen uit te voeren. Door onze geloofsijver als oproer en schandaal te bestempelen stoken zij U tegen ons op.
Maar, mijnheer de koning, U moet wel bedenken dat de wereld altijd het licht heeft gehaat en tegen de waarheid in opstand is gekomen. Maar is dan hij die de waarheid spreekt, een oproerkraaier, omdat de mensen zich daartegen verzetten?
Integendeel! Het is de duivel, de onverzoenlijke vijand van God en van de mensen, die oproer en schandaal veroorzaakt. Om zijn rijk, dat bestaat uit afgoderij, valse eredienst, hoererij en andere zonden die het Evangelie verbiedt, niet te verliezen, komt hij in opstand en probeert hij de voortgang van het Evangelie te verhinderen.
Hierbij komt de ondankbaarheid van de wereld. In plaats van Gods Woord dankbaar aan te nemen, verzet zij zich daartegen, waarbij ze zich alleen beroept op de lange tijd die zij al in haar dwaling leeft. Door die lange tijd als norm te stellen probeert zij zich te verzetten tegen Hem die de tijden heeft geschapen en voor wie alle dingen “heden” zijn.
Het is Uw plicht, mijnheer de koning, van dit alles kennis te nemen en U tegen de dwaling te verzetten, ook al is zij door de lange tijdsduur diep ingeworteld. Ook is het Uw plicht om hen te beschermen die tot nog toe door de rechters eerder verdrukt zijn dan verhoord. Moge de Here U zegenen en behoeden, moge de Here Zijn aangezicht over U doen lichten en U bewaren in alle voorspoed, amen.